Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

De vier wachtwoorden van Jezus

Viering: DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

Lezing:

  • Matteüs 22, 34-40

Geschreven door: Paul Begheyn SJ

Vier dagen geleden was ik betrokken bij de begrafenis van mijn tante Paula in Breda. Een kleine vrouw met een grote geest. Ze werd 94 jaar. Tot mijn vreugde en verbazing was de kerk afgeladen vol. Zij was een kleindochter van opa Willem van Thiel, die mijn overgrootvader is. Ik heb het hier al eerder over hem gehad. Hij overleed acht jaar voordat ik geboren werd. Toch heb ik het gevoel dat ik hem gekend heb. Nog steeds is hij aanwezig in onze familie, dankzij de aparte taal die hij bezigde. Zijn uitdrukkingen en gezegdes werden door zijn nakomelingen overgenomen en tot iets eigens gemaakt. Op een of andere manier blijkt de man, die nu al meer zeventig jaar dood is, nog steeds voort te leven in de taal en dankzij zijn eigen, karakteristieke manier van spreken.
Iets dergelijks moet ook het geval geweest zijn met de taal van Jezus. Niet alleen maakte hij indruk op zijn omgeving door wat hij deed, door wat hij zei, maar ook door hoe hij het zei. Marcus, de auteur van het oudste evangelie, is zich daarvan zeer goed bewust geweest. Hij is het immers, die vier uitspraken van Jezus in het Aramees heeft bewaard en vereeuwigd. Het Aramees was rond het begin van onze jaartelling een van de belangrijkste en wijdst verbreide talen van het Nabije Oosten. Het was de enige taal die Jezus sprak; Latijn en Grieks kende hij niet; Nederlands al helemaal niet. De vier Aramese uitdrukkingen of zinnen die Marcus voor ons heeft bewaard, zijn veelbetekenend. In de eerste helft van zijn evangelie vermeldt hij Talitha koemi (5, 41) en effatha (7,34); en in de tweede helft van zijn evangelie vermeldt Marcus Abba (14, 36) en Eli, Eli, lama sabachthani (15,34). Voor Marcus waren het, om zo te zeggen, de wachtwoorden van Jezus. Wie die woorden hoort en spreekt, krijgt en biedt vrije doorgang naar het geheim van het leven, zoals het door God bedoeld is.
En nu wilt u natuurlijk weten wat die Aramese zinnen en woorden betekenen. De eerste twee werden door Jezus gesproken tot mensen. Tot het gestorven dochtertje van Jaïrus, hoofd van de synagoge, zei hij: ‘Meisje, sta op’; en tot een doofstomme man: ‘Ga open’. De andere twee Aramese woorden sprak Jezus tot God: ‘Pappa’, en ‘Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?’.
Deze vier woorden tezamen geven de kern aan van de blijde boodschap, die Jezus wilde brengen. Voor mensen – vrouw en man, jong en oud – had hij een dubbele opdracht: ‘Sta op en ga open’. Die boodschap geldt dus ook voor ieder van ons! Tegenover God had hij – en velen van ons zullen zich daarin herkennen – de ervaring van intimiteit en geborgenheid enerzijds, en totale verlatenheid anderzijds.
Een enkel woord over het eerste Aramese woord ‘Sta op’. Dat is in het Nieuwe Testament een geladen begrip, dat zowel opstanding of verrijzenis betekent, als opstand en opstandigheid. Het is niet alleen opstaan uit de slaap, maar ook opstaan uit de doodsslaap van onderdrukking en vernedering. Wie in de Bijbel opstaat, komt in de vrije ruimte terecht, waar het leven volop bloeien kan.
Het woord Effatha (ga open) houdt verband met een inniger contact met God. Er is dan sprake van toewijding, herkenning, uitleg en begrip. Van de werkelijkheid wordt een floers weggenomen, waardoor zij in een nieuw licht komt te staan, en er anders uit gaat zien. Opengaan heeft te maken met lente, met nieuw begin, met communicatie.
Een van de schatten binnen de joods-christelijke traditie is de geleefde en doorgegeven ervaring dat God vader is. Hij is degene die het leven van de mens verwekt, zichzelf voortplant in ons. Hij wil ons. Wordt in het Oude Testament God elf maal aangeduid als vader, in het Nieuwe Testament noemt Jezus hem maar liefst honderdzeventig keer zo. God is voor Jezus niet alleen vader in objetctieve, feitelijke zin. Jezus noemt hem abba, pappa, een woord uit de alledaagse spreektaal van het gezin, een woord dat eerbied, intimiteit en familiaire genegenheid suggereert.
De schreeuw van verlatenheid, die Jezus in doodsnood aan het kruis uitstoot, Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten, is het meest ontluisterende bewijs dat tegen God ingebracht kan worden. God laat zijn zoon wel in de steek, en zelfs op een uiterst beslissend ogenblik. Jezus laat oorverdovend en hartverscheurend horen, dat God niet almachtig is. Het gevaarlijke van deze getuigenis in het evangelie – Marcus had het ook kunnen weglaten – is, dat God dus nergens goed voor is. Maar de klacht van Jezus ontmaskert een bepaald soort God, en toont aan hoe menselijk de God van Jezus is, even nabij en bewogen als Jezus zelf, hij evenzeer op zoek naar ons als wij naar hem.
Ten slotte: laten wij de uitdagende woorden van Jezus op onszelf betrekken: Sta op en ga open.
Preek nummer 1 2 3 4 5 Archief preken