Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

De wet niet als last maar als evangelie

Viering: X

Lezingen:

  • Leviticus 13, 1-2 en 44-46
  • Marcus 1, 40-45

Geschreven door: Dr. Jan Verhoeven

Preek van zondag 11 februari 2018

Broeders en zusters in Christus,

De afgelopen zondagen hebben we gehoord hoe Jezus zijn leven en werken in het openbaar begonnen is.
Hij roept allereerst aan het meer van Galilea vier vissers om Hem te volgen.
Op de sabbat gaat Hij naar de synagoge in Kapharnaüm en leert daar niet zoals de Schriftgeleerden, maar als een gezaghebbende. Het woord dat Marcus gebruikt duidt zelfs op een goddelijke volmacht. De aanwezigen in de synagoge hebben snel door dat Jezus op een andere wijze met de Schrift omgaat dan de Schriftgeleerden.
Zij houden zich bezig met het uiterst precies uitpluizen van de wet en een starre naleving tot op de letter.
Maar het gaat niet om de dode letter, maar om de levende Thora. Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw kracht. En het Hooglied spreekt over de Thora als een geliefde: leg mij als een zegel aan uw hart, als een zegel aan uw arm want sterk als de dood is de liefde. Van deze liefde voor de Thora, de wet, getuigt Jezus van binnenuit. De wet niet als een juk, een last maar als evangelie, blijde boodschap van heil en bevrijding. Jezus verkondigt niet alleen de blijde boodschap van heil en bevrijding maar brengt direct heil en bevrijding teweeg.

In het evangelie van Marcus is de eerste genezing die Jezus doet wel zeer symbolisch. In de synagoge begint een man met een onreine geest te praten en te schreeuwen. Jezus gebiedt de onreine geest te zwijgen en drijft hem uit. Als we willen dat de boodschap van Jezus bij ons overkomt dan moeten we er ons in de eerste plaats voor openstellen. Daarom vragen we voor de schriftlezing aan de Heilige Geest of hij alle belemmeringen voor een goed verstaan wil wegnemen en ons duistere verstand verlichten. Voor een goed verstaan, een goede ontvangst is het nodig dat de stoorzender, de ruis wordt weggenomen. Want iemand met een onreine geest is zo in de ban van al die dingen die in de wereld zo belangrijk schijnen, dat hij geen oog heeft voor het meest wezenlijke van zijn bestaan en eraan voorbij leeft. Door deze eerste genezing, teken van bevrijding, schept Jezus direct bij zijn eerste openbare optreden de openheid die nodig is voor het ontvangen van het Woord.

Dan volgt bijna terloops de genezing van de schoonmoeder van Petrus die met koorts te bed ligt. Daarna horen we dat mensen in de avond zieken naar Jezus brengen ter genezing. Er wordt zonder nadere aanduiding gesproken over allerlei ziekten op één uitzondering na. Marcus spreekt ook hier weer met nadruk over mensen die bezeten zijn van demonen, boze geesten. ’s Ochtends heeft Jezus in de synagoge een onreine geest het zwijgen opgelegd en hem uitgedreven. ’s Avonds gebeurt hetzelfde: vele demonen dreef Hij uit en Hij liet de demonen niet toe te spreken omdat zij Hem kenden. En enkele regels verder lezen we dat Jezus in heel Galilea preekt in de synagogen en boze geesten uitdrijft.
Marcus geeft hier uiterst beknopt het program van Jezus weer. Jezus legt in de synagoge de Schrift uit maar plaatst zijn blijde boodschap niet tegenover de Thora. Met de blijde boodschap maakt Jezus de kern van de Thora weer helder en levend en verdrijft de donkere krachten van ongeloof en wanhoop die in ons zijn.

Vandaag lezen we het laatste gedeelte van het eerste hoofdstuk van Marcus. In het voorafgaande ging het over onreine geesten, nu gaat het om een melaatse, iemand met een onreine huid die als een verstotene buiten de stad leefde meestal in grotten of tussen de graven. En als hij iemand van verre aan zag komen moest hij roepen: “onrein, onrein”.
Marcus confronteert ons direct met de twee ergste ziekten die je in de tijd van de Bijbel konden overkomen, het hebben van een onreine geest, bezeten zijn en de melaatsheid.
De term “melaatsheid” levert nogal wat problemen op, want wij denken dan aan lepra, een tropische ziekte die in de tijd van het O.T. in Israël niet voorkwam. Onder de Hebreeuwse term tsara’at, die wij vertalen met “melaatsheid” moeten een aantal huidaandoeningen worden verstaan. Maar we lezen ook dat stoffen, leer, de muren van een huis, melaats kunnen zijn. In dat geval zouden wij eerder spreken over mot en schimmel.

In de lezing van Leviticus horen we dat iemand met een vermeende huidziekte naar de priester gaat. De priester observeert de aangetaste plek op de huid, isoleert zo nodig de patiënt voor een of twee weken. Is de plek gedoofd, dan wordt de patiënt rein verklaard. Is de aangetaste plek dieper dan de huid en is er wild vlees ontstaan, dan is er sprake van melaatsheid en wordt de patiënt onrein verklaard. Dat betekent dat de zieke in totale afzondering buiten de gemeenschap moet verblijven en ook niet mag deelnemen aan de godsdienstoefeningen.
De plaag van de melaatsheid werd gevreesd en ieder contact met een melaatse moest vermeden worden. Als de melaatse dacht dat hij genezen was, dan moest hij zich aan de priester tonen die daarvoor buiten de legerplaats kwam. Was de ziekte geweken dan bracht de priester voor de reiniging een offer. Bij ziekte en gezondverklaring draait alles om de priester, om zijn verklaring van rein of onrein, dat wil zeggen, weer deel mogen uitmaken van de gemeenschap of verstoten zijn.

De begrippen “rein”en “onrein” hebben in de Bijbel een religieuze betekenis. Ziekte en zonde hebben zeker in het O.T. alles met elkaar te maken en wordt een ziekte gezien als een straf van God. Zo lezen we dat in het O.T. mensen met melaatsheid gestraft worden, ja zelfs Mirjam, de zuster van Mozes.
In een tijd dat men nog geen medische kennis had en geen weet van de oorzaak van ziekten, is het niet vreemd dat de oorzaak toegeschreven werd aan God maar ook de genezing want de priester geneest niet. Hij constateert dat iemand genezen is en verklaart hem rein.
De Bijbel blijft een boek door mensen geschreven vanuit hun kijk op de wereld in hun tijd en de gelovige interpretatie daarvan. Wij moeten in onze tijd ook de wereld om ons heen bezien vanuit ons geloof. Met al onze medische kennis kunnen wij de oorzaak van ziekten niet meer toeschrijven aan God evenals de oorzaak van donder en bliksem. De Bijbel is geen boek dat af is in de zin van: het staat er, zo is het. Dat is het standpunt van de fundamentalisten die helaas ook nog in ons land voorkomen. In de Bijbel staat dat God mensen door ziekten straft. Zo is het. Niet beseffend dat mensen dit 2500 jaar geleden geschreven hebben zonder medische kennis. Wij moeten meer ongedwongen met de Bijbel omgaan, als een handreiking, een leidraad die ons kan helpen op een gelovige wijze om te gaan met onze ervaringen en zin te geven aan ons leven. Zo mogen wij onze ervaringen van geloof als het ware aan de Bijbel toevoegen en onze eigen Schrift schrijven.

Nu we gezien hebben hoe in het O.T. met melaatsheid wordt omgegaan, wordt het verhaal van Marcus heel bijzonder. Als wij ziek zijn gaan we allereerst naar een reguliere arts. Als we hier helemaal geen baat bij hebben, gaan we wellicht op zoek binnen de alternatieve geneeswijzen in de hoop dat daar misschien genezing gevonden kan worden.
Bij de melaatse in het evangelie van Marcus gaat het heel anders. De melaatse heeft zeker gehoord van de genezingen die Jezus gedaan heeft. Hij die ver van iedereen vandaan moet blijven, doorbreekt de regels en gaat naar Jezus toe. En hij zegt niet: “kunt u mij misschien genezen” maar met het volste vertrouwen:” indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen”.
Waar komt dit sterke geloof vandaan bij iemand die alleen maar van Jezus gehoord maar hem nog nooit ontmoet heeft? Dit geloof heeft hij niet van zichzelf en we mogen denken aan de woorden die Jezus spreekt door de mond van de apostel Johannes: “niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem getrokken heeft”. De melaatse gaat niet uit eigen beweging naar Jezus toe, maar wordt als het ware door de Vader getrokken door de kracht van de Heilige Geest. Het is niet zijn wil maar Gods wil in hem en daar getuigt hij van: indien Gij wilt, kunt Gij mij genezen.

Voordat Jezus het grote taboe doorbreekt en de melaatse aanraakt, is de melaatse van binnen al geraakt door de stem van het geloof en de kracht van de Heilige Geest. En dat is zeker het grootste wonder.
Wie met zo’n geloof bij Jezus komt, zal niet teleurgesteld worden. Jezus zegt: “Ik wil het, word rein” en terstond gebeurt het.. Zo is het woord van Jezus ook een scheppingswoord, een woord dat geschiedt, dat gebeuren, daad is. Jezus verbiedt hem hierover te spreken en zegt: “Zie toe dat gij niemand iets zegt, maar ga heen, toon u aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven.”
De melaatse wordt rein, dat wil zeggen, wordt weer helemaal mens, is geen verstotene meer die tussen de graven leeft, maar mag weer deel hebben aan de gemeenschap, komt weer tot leven.
Hij die zijn stem alleen heeft mogen gebruiken om mensen op een afstand te houden door te roepen “onrein, onrein”, mag nu weer communiceren met mensen. Waarom mag de melaatse niet spreken over dat waar zijn hart van vol is?
Jezus wil voorkomen dat men hem louter gaat zien als een wonderdoener waar veel mensen voor de sensatie op afkomen. De genezing is niet alleen een uiterlijk teken. Wie Jezus werkelijk is, kan slechts begrepen worden door hen die door toedoen van Jezus heil en bevrijding aan den lijve ondervonden hebben. God en Jezus zijn alleen te ervaren door de heilsdaden die zij aan ons doen. Zomaar zeggen dat Jezus de Messias is, heeft geen zin. Het Messiasschap van Jezus is geen feitelijke constatering. Slechts degenen die door Hem innerlijk geraakt zijn en Hem willen navolgen in het doen van gerechtigheid en het brengen van vrede, mogen tenslotte ervaren wie Hij is.
Zo maar over God spreken in zijn algemeenheid is zinloos evenals de vraag of God wel of niet bestaat.
Ik kan alleen van God spreken vanuit mijn geloof, vanuit de persoonlijke ervaring dat Hij mij steunt en mij kracht geeft. Dan spreken we niet meer over een abstracte God maar van God die mij helpt en door Zijn woord bevrijdt. Dan is God voor mij, in mijn leven werkelijkheid geworden, de levende God die bij mensen wil zijn.

Aanstaande woensdag is het Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd. Soms hebben wij het zo druk met allerlei zaken dat ons hoofd niet staat naar God, dat wij niet de rust en de stilte kunnen vinden om Zijn stem te horen. Die geslotenheid voor God komt voort uit een in zichzelf gekeerde, gesloten geest die de Bijbel een onreine geest noemt. Misschien kunnen we in deze Veertigdagentijd het wat stil maken in onszelf, alles waar we het zo druk mee hebben een beetje naar de achtergrond schuiven om ruimte te maken voor God en Zijn stem. Zouden we ons kunnen openstellen naar God toe. Dan mogen wij het geloof ontvangen om met de melaatse te kunnen zeggen:” indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen”. “Reinig mij met hysop en ik zal schoon zijn; was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw”. Amen.
Preek nummer 1 2 3 4 5 Archief preken