Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Onderweg

Viering: 19e zondag door het jaar(12 augustus)

Lezingen:

  • 1 Koningen 19, 4-8
  • Efeziërs 4, 30-5, 2
  • Johannes 6, 41-51

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

U heeft misschien wel eens een bergwandeling gemaakt. De route is
uitgestippeld, het weer is prachtig en het bergpad is goed begaanbaar.
Geen enkele reden voor bezorgdheid of angst.
U geniet met volle teugen van het overweldigende landschap. Op een
gegeven moment wordt het pad heel smal, zeker voor iemand die
hoogtevrees heeft. Aan de ene kant de rots en aan de andere kant
vlak naast je het ravijn, de afgrond. Ineens overvalt je een
panische angst, doodsangst. Je bent als aan de grond genageld en
kunt geen voet meer verzetten.
Alle zekerheid is weg. Zo kan het gebeuren dat je door allerlei
omstandigheden in het leven helemaal vastloopt en op een dood
punt komt. De problemen en zorgen groeien je boven het hoofd
en je denkt misschien wel: ik zie het niet meer zitten, van mij hoeft het
niet meer. Ja, maar dat mag je als gelovige toch niet denken, laat staan
zeggen. Waar is je rotsvaste geloof zonder twijfel.

In streng protestantse kringen tref je nog mensen aan die het zeker
weten en niet twijfelen.
Ik heb dan altijd zo mijn bedenkingen. Wat betreft het geloof wordt
iedere twijfel uitgesloten of verdrongen door angstvallig vast te houden
aan het oude en alle veranderingen af te wijzen. Zekerheid zoeken in
het oude uit angst voor het nieuwe.
Echt geloven is nu juist alle zekerheid laten varen zoals Abraham door
God geroepen wordt om weg te trekken naar een onbekend land, een
onzekere toekomst tegemoet.
Geloven is net als mensen die in een beginnende relatie elkaar vertrouwen
schenken, een waagstuk. Geloven is altijd geloven met twijfel. Dat is
menselijk. “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”. Het geloof is geen star
bezit. Je hebt het en dan hoef je niets meer te doen. Een levend geloof
moet steeds weer hernieuwd worden op de momenten dat het verslapt
en we terugvallen in onze oude gewoontes. In het O.T. wordt het verbond
tussen God en Zijn volk steeds hernieuwd, opnieuw bekrachtigd. God is
trouw maar de trouw van de mens tegenover God laat nog al eens te
wensen over.

De verhalen in het O.T. over het Joodse volk onderweg zijn geen verhalen
uit een ver verleden. Ze zijn ook tot ons gericht. Wij worden hier en nu
direct aangesproken. De hele geschiedenis van het Joodse volk en dat
is ook onze geschiedenis, is er een van geloof en twijfel, van vallen en
opstaan.
In de woestijn verlangt het volk terug naar de vleespotten van Egypte,
terug naar de oude zekerheid. Als Mozes op de berg Sinaï heel lang
spreekt met de onzichtbare God, dan keert het volk weer terug naar
de zekerheid van de oude goden en danst rondom het gouden kalf.
De Bijbel is geen boek met verhalen over heiligen en helden maar met
verhalen over mensen van vlees en bloed in hun beste momenten en
in hun dieptepunten.
De verhalen van broedertwist, Kain en Abel, Jakob en Esau, een verhaal
van onverschilligheid van Esau tegenover het eerstgeboorterecht, van
list, bedrog en tenslotte verzoening.
David en Bathseba, een dramatisch verhaal van menselijke passie en
macht die leiden
tot de dood van een onschuldige. Er is niet zoveel veranderd. Een ieder
zal zich kunnen herkennen in het meest menselijke boek van de Bijbel,
de Psalmen, waarin mensen hun vreugden, verdriet, wanhoop, hoop en
Godsvertrouwen tot uitdrukking brengen.

Vandaag horen we het verhaal van de grote profeet Elia die naar de
woestijn gevlucht is en zegt: Het is genoeg! Neem nu Heer mijn leven.
Elia is ten einde raad. Hoe is het zover gekomen?
Na de dood van koning Salomo valt het rijk in twee delen uiteen, het
Zuidrijk rondom Jeruzalem en het Noordrijk. De eerste koning van het
Noordrijk Jerobeam, is bang dat de mensen uit het Noordrijk toch naar
Jeruzalem zullen gaan om daar in de tempel te offeren en dat ze zich
weer zullen aansluiten bij het Zuidrijk en misschien hem zullen doden.
Om de mensen van het Noordrijk aan zich te binden, begint hij zelf een
eredienst en maakt twee gouden kalveren met tempels en priesters die
niet uit het priestergeslacht van Levi komen. Het grote gevaar voor het
Joodse volk, de afgodendienst, is zo teruggekeerd.

De koningen die volgen, gaan in het spoor van Jerobeam en zo ook koning
Achab. Er staat geschreven over Achab: het minst erge was dat hij wandelde
in de zonden van Jerobeam maar dat hij de heidense Izebel uit Sidon tot
vrouw nam. Achab en Izebel gaan de Baäl dienen en richten voor de Baäl
altaren op. In de Oudheid had ieder land en stad zijn eigen goden en was
men zeer tolerant tegenover de belijders van andere goden. Zo niet Izebel
die de profeten van de Heer probeert uit te roeien.

Hierop zegt Elia tot koning Achab: zo waar de Heer de God van Israël leeft,
in wiens woord ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn tenzij dan
op mijn woord. Daarna komt het woord van God tot Elia: Ga vanhier, wend
u oostwaarts en verberg u bij de beek Kirth.
Daar wordt hij van Godswege door de raven gevoed. Als na verloop van
tijd de beek uitgedroogd is, komt het woord van God tot Elia: Maak u
gereed, ga naar Sarfath. Daar bij de weduwe van Sarfath raken door het
wonder van Elia het meel en de olie niet op en wekt Elia de dode zoon
van de weduwe tot leven.
Na enige tijd komt het woord van de Heer tot Elia: Ga heen, vertoon u
aan Achab.
We kennen allemaal het verhaal van Elia op de berg Karmel. Elia zegt tot het volk:
hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de Heer God is, volgt Hem na, maar
indien dat de Baäl is, volgt hem na. Maar het volk zegt niets. De God die met vuur zal
antwoorden, die zal God zijn. Bij het altaar van de Baälpriesters gebeurt niets, maar het
altaar van de Heer wordt door vuur verteerd. Toen het volk dat zag zei het: de Heer, die
is God. Hij is de God die zich toont door te handelen.

Op de Karmel laat God zien wie Hij is. God is niet meer een god te midden van andere
goden, maar de ene. “Hoor Israël, de Heer onze God, de Heer is één”. Het Joodse volk is
niet van de ene op de andere dag overgegaan van het dienen van de vele goden naar de
ene God. Dit is een proces geweest van honderden jaren dat op de berg Karmel zijn
eindpunt bereikt. Dit proces wordt als het ware gewonnen door de ene God die geen
andere goden naast zich duldt. Elia rekent dan ook resoluut af met de Baälpriesters en
laat er 450 direct ter dood brengen.
Als Achab na deze dag van de waarheid thuis komt en aan Izebel vertelt dat er 450
Baälpriesters gedood zijn, zendt Izebel een bode naar Elia: zo mogen de goden doen, ja
nog erger, indien ik morgen om deze tijd uw ziel niet gelijk zal maken aan de ziel van een
hunner. Dan vlucht Elia de woestijn in, gaat onder een bremstruik zitten en wil sterven.
Het is genoeg, neem nu Heer mijn leven.
Elia die altijd door God gesteund is, uit de kracht van God wonderen gedaan heeft, een
dode opgewekt, gestreden tegen de Baäl, die verliest, nu zijn leven op het spel staat, de
moed en is levensmoe.
Ook de grote profeet Elia kent geloof en twijfel.
We ervaren in goede en slechte periodes in ons leven de steun en kracht van God maar
er zijn ook momenten dat we het niet meer zien zitten en denken: waar is God, is Hij er
wel?
Dan hebben we iemand nodig die ons moed inspreekt, ons een duwtje in de rug geeft,
ons over ons dode punt heen helpt. Dat gebeurt bij Elia door een engel die hem
aanraakt. Sta op, eet. Elia ziet een koek en een kruik water. Hij eet en drinkt en gaat
weer liggen. Voor de tweede keer raakt de engel hem aan en zegt: sta op en eet want de
reis zou voor u te ver zijn. Elia staat op, eet en drinkt en gaat door de kracht van het
voedsel 40 dagen en nachten tot aan de berg van God, de Horeb.

Steeds wanneer het woord van de Heer tot Elia komt, wordt hij opgeroepen om te
handelen, aangespoord om op weg te gaan. Ga vanhier, wend u oostwaarts en verberg u
bij de beek Kirth. Maak u gereed, ga naar Sarfath. Ga heen, vertoon u aan Achab. En
tenslotte: sta op.
Heel de Bijbel door klinken de woorden: sta op, neem je tent op, trek verder. God trekt
mee met Zijn volk onderweg. God is beweging. Als God tot ons spreekt, gebeurt er iets
in ons, brengt Hij een onrust in ons teweeg en spoort ons aan te handelen. Hij roept ons
weg uit onze oude zekerheden en vastgeroeste gewoontes. Het is nu eenmaal zo en je
kunt toch niets veranderen. Blijf niet staren op wat vroeger was. Sla de hand aan de
ploeg en kijk niet achterom. Kijk vooruit en dan zul je zien dat met de hulp van God het
wel degelijk anders kan. Geloven is niet vasthouden aan oude zekerheden maar een
waagstuk om het onzekere avontuur met God aan te gaan.
Elia wil sterven maar God heeft een grote toekomst voor hem weggelegd. Het Joodse
volk trok, gevoed door het manna, 40 dagen door de woestijn om de berg van God te
bereiken. Zo trekt Elia door de kracht van het voedsel 40 dagen tot aan de Horeb om
daar een Godsontmoeting te hebben. Elia die wilde streven, zal aan het einde van zijn
leven levend ten hemel worden opgenomen en nooit sterven. Hij is het die aan het einde
der tijden wordt verwacht.

Zo mogen wij in al onze zorgen en moeilijkheden door Gods woord en de Eucharistie
kracht ontvangen om op te staan en verder te gaan. Voor Elia en voor ons geldt de zin
uit Psalm 3 die in de oude liturgie diep in de Paasnacht in de kloosters werd gezongen: “
Ik legde mij neer en sliep; ik ontwaakte want de Heer ondersteunt mij”. Amen.
Preek nummer 1 2 3 4 5 Archief preken