Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 11 februari 2018

Leviticus 13, 1-2 en 45-46
Marcus 1, 40-45

In de Bijbelse tijd was melaatsheid het ergste wat je kon overkomen. Je was niet alleen ziek maar werd ook uitgesloten van de gemeenschap, van alle sociale en religieuze leven. Ieder contact met gezonde mensen was verboden. Je moest ver buiten de stad wonen en als er iemand aan kwam, roepen: “onrein, onrein”. In het O.T. is ziekte niet zoals bij ons alleen een medische aangelegenheid voor een arts, maar ook een religieus fenomeen. De priester constateert of iemand melaats is. Denkt iemand dat hij genezen is, dan gaat hij naar de priester die hem na onderzoek genezen kan verklaren, rein, zodat hij weer deel uit mag maken van de samenleving. Rein en onrein zijn in de Bijbel in de eerste plaats religieuze begrippen. In het O.T. hebben ziekte en zonde alles met elkaar te maken. Melaatsheid wordt een symbool voor de zondige mens, melaats van zonden. In een samenleving waar medische kennis uiterst gering is, wordt de oorzaak van ziektes toegeschreven aan de straffende hand van God. We moeten bedenken dat de Bijbel een boek blijft dat door mensen geschreven is met hun Godsbeeld. Een Godsbeeld dat door Jezus gecorrigeerd is maar dat in sommige fundamentalistische kringen helaas nog steeds gangbaar is.
In het evangelie van Marcus lezen we dat de eerste genezing die Jezus doet het uitdrijven is van een bezeten, onreine geest. Jezus geneest mensen om dat wat het ontvangen van de blijde boodschap bij hen in de weg staat, op te ruimen en ze open te maken, ontvankelijk voor Zijn woord. Met een bezeten geest, in de ban van iets anders, gaat dat niet. Deze zondag horen we dat Jezus een melaatse geneest. Zowel de melaatse als Jezus doorbreken grenzen. Een melaatse die ver van de mensen, buiten de stad moest leven, komt in de stad en gaat naar Jezus toe en zegt: “indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen”. Jezus raakt hem aan, wat ook verboden was, en zegt: “Ik wil het, word rein”. De man mag weer deel uitmaken van de samenleving. Jezus geneest en geeft de man een nieuw leven.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 februari 2018

5e zondag door het jaar

Job 7, 1-4 en 6-7
Marcus 1, 29-39

Job is vroom, oprecht en godvrezend. Hij is rijk gezegend door God en prijst God daarvoor. Dan is het niet moeilijk om God te prijzen en te danken. De satan stelt aan God voor om Job al zijn bezit af te nemen. Dan zal hij U openlijk vaarwel zeggen. God geeft het bezit van Job in de macht van satan maar van Job zelf moet hij afblijven. En zo gebeurt het dat Job al zijn bezit en zijn kinderen verliest. Hij is in rouw en zegt: “de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zei geprezen”. Nu krijgt de satan toestemming ook Job zelf te beproeven als hij hem maar in leven laat. Job komt onder de zweren te zitten. Zijn vrouw vraagt of hij nu nog volhardt in zijn vroomheid. Maar hij noemt zijn vrouw een zottin. “Zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet”. Job zondigt niet met zijn lippen. Wel vervloekt hij de dag van zijn geboorte. De vrienden van Job komen hem bezoeken maar stellen hem teleur. Job moet wel gezondigd hebben want God laat een onschuldige en rechtvaardige niet lijden. Job houdt vast aan zijn rechtvaardigheid ongeacht wat zijn vrienden zeggen. Job wil zich tenslotte voor God verdedigen en zijn onschuld bepleiten. God antwoordt Job vanuit en storm en zegt: wie is het toch die het raadsbesluit verduistert met woorden zonder verstand. Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het indien je inzicht hebt. Dan volgt een magistraal gedicht over de schepping Overdonderd door Gods almacht in de schepping, wordt Job klein. Zie, ik ben te gering, hoe zal ik u bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Ik verkondigde zonder inzicht dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. Slechts van horen zeggen, had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog u aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete. Daarop krijgt Job alles in veelvoud terug. Ook wij vragen zo vaak aan God: waarom? Op de grote levensvragen is geen antwoord. Het antwoord ligt verborgen in het mysterie van God.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 28 januari 2018

Deuteronomium 18, 15-20
Marcus 1, 21-28

Vandaag lezen we in het evangelie dat er alle reden tot zelfvertrouwen kan zijn. Marcus vertelt ons namelijk over de stem van het goede die het altijd zal winnen van de stem van het kwade. Het is deze stem in de persoon van Jezus die de onreine geest in de bezeten man tot zwijgen brengt: “Stil en ga uit van hem”. En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot geschreeuw van hem weg. Soms lijkt het er meer op dat het geschreeuw van de onreine geest blijft overheersen. Het is daarom dat wij op de dag des Heren bij elkaar komen om te luisteren naar de stem van het goede. Het is daarom dat wij de dag des Heren eren om geloof en zelfvertrouwen te winnen en te bewaren. Tevens om te kunnen ervaren dat wij belangrijk zijn in onze activiteiten van alle dag. Het is daarom zeker niet toevallig dat de stem van Jezus op deze dag klinkt in het evangelie van Marcus. Met het blijven eren van de dag des Heren, kan het gebeuren dat een bezorgde stem zal zeggen dat de mens door zijn negatief ingrijpen in de natuur belangrijk is maar ook dat de mens juist belangrijk is in het duurzaam voortbestaan van de aarde. Want vanuit geloven en vertrouwen op de stem van het goede en het rechtvaardige kunnen onreine geesten tot zwijgen worden gebracht.


J. Smiers
 

Overdenking 14 januari 2018

2e zondag door het jaar

1 Samuël 3, 3b-10. 19
Johannes 1, 35-42

De jonge Samuël is uit dankbaarheid door zijn moeder Hanna opgedragen aan God en leeft onder toezicht van de oude priester Eli in de tempel. Het leven van de jonge Samuël staat in schril contrast met dat van de twee priesterzonen van Eli. Ze hebben maling aan de voorschriften voor het brengen van brandoffers en willen het beste vlees nog voor het geofferd is, zelf hebben. Ze slapen met de vrouwen die dienst doen bij de ingang van tent der samenkomst. Als Eli hen daarover aanspreekt, luisteren ze niet naar hun vader.
Wie wel luistert, is Samuël. Als hij ’s nachts een stem hoort, gaat hij naar Eli toe en zegt: “hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen”. Eli heeft hem niet geroepen en zegt dat hij weer moet gaan slapen. Dit tafereel herhaalt zich drie keer en dan pas heeft Eli door dat het God geweest is die Samuël geroepen heeft. “Ga weer naar bed en als God je weer roept, zeg dan: spreek Heer want uw knecht hoort”.
Twee mensen, de oude Eli en de jonge Samuël. De eerste letterlijk en figuurlijk ingedommeld en niet meer alert op de stem van God. De tweede, jong, alert en met een luisterend oor die God en zijn stem niet kent omdat God zich nog niet aan hem heeft geopenbaard.
Ook in het evangelie van Johannes klinkt een stem die mensen in beweging zet. Op een dag ziet Johannes de Doper Jezus komen en zegt: “zie het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt”. De volgende dag staat Johannes weer bij de Jordaan met twee van zijn discipelen. Als hij Jezus ziet gaan, zegt hij:” zie het lam Gods”. Als de twee dit horen, volgen ze Jezus. En zij vragen: Meester, waar houdt Gij verblijf? Jezus is thuis in de dingen van zijn Vader, de Schrift die Hij uitlegt. Zij herkennen de Messias.
Alleen als wij stil worden, kunnen wij de innerlijke stem, de stem van God horen. Dan is het ook mogelijk dat als God ons roept, wij met de volle inzet kunnen antwoorden: “hier ben ik”.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 7 januari 2018

Jesaja 60, 1-6
Mattheüs 2, 1-12

We vieren het feest van Epifanie, de verschijning van de Heer. De lezingen staan in het teken van het licht. De eerste lezing is uit Deuterojesaja, die leefde in de ballingschap in Babylon. Het Joodse volk is weggevoerd, Jeruzalem en de tempel zijn verwoest. Maar God troost zijn volk en zegt dat zijn lijdenstijd volbracht is. De ballingen mogen terugkeren. Het vertrapte Jeruzalem zal herbouwd, verheven worden. Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer gaat over u op. De volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. Ze brengen hun schatten mee. Uit Scheba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij meebrengen en de roemrijke daden van de Heer blij verkondigen. De volken, de heidenen, trekken op naar Jeruzalem.
Met Kerstmis openbaart de Heer zich aan de Joden, aan de herders. Met Epifanie vieren wij dat de Heer zich openbaart aan de niet -Joden, aan ons. Magiërs uit het Oosten staan symbool voor de volken. Ze hebben de ster van de pas geboren koning gezien en gaan naar Jeruzalem en vragen waar de koning is. Want een koning moet toch in de hoofdstad aan het hof geboren zijn. Koning Herodes hoort hiervan en schrikt. Schriftgeleerden worden geraadpleegd en vertellen dat de Christus geboren moet worden in Bethlehem. De magiërs gaan weg en de ster die zij in het Oosten gezien hebben, gaat hen voor naar Bethlehem en blijft staan op de plaats waar het kind is. We mogen denken aan de wolk en de vuurkolom die het Joodse volk voorging door de woestijn. De magiërs komen bij het kind, aanbidden het en geven hun schatten, goud, wierook en mirre. Verbaasd zullen ze geweest zijn, een koning niet in een paleis maar in een achterafje in een stal, niet ontgoocheld maar vol vreugde. Weg van Jeruzalem, de stad van Herodes, van aardse macht, worden we verwezen naar Bethlehem, de stad van David, naar een kind dat de Vorst van de vrede is. Als wij dit kind volgen, zal Jeruzalem pas werkelijk de stad van vrede, sjaloom worden.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 17 dec 2017

zondag 17 december, 3e zondag van de Advent, ‘Gaudete’

Jesaja 61, 1-2.10-11
1 Tessalonicenzen 5, 16-24
Johannes 1, 6-8.19-28

Luisteren is moeilijk. Wij zijn vaak meer gefocust op wie de spreker is dan dat we echt luisteren naar wat diegene ons te zeggen heeft.
Vandaag horen we in het evangelie hoe er mensen naar Johannes de Doper worden gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ En als hij antwoordt dat hij niet de Messias is en niet Elia, dan vragen ze: ‘Maar wie bent u dan?’
Zijn antwoord luidt: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer.” ’ Het is maar de vraag of dit antwoord wel verstaan is, want nu vragen ze zich af waar hij dan wel het lef vandaan haalt om te dopen als hij niet de Messias en niet Elia is, maar Johannes antwoordt: ‘Ik doop met water, maar in uw midden is iemand die u niet kent, hij die na mij komt - ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’

Een verhaal uit de Joodse traditie over een jonge rabbijn.
Als hij over het veld liep, hoorde hij uit het ruizen van de gewassen de dingen die gaan komen. Als hij door de straten liep, hoorde hij uit de voetstappen van de mensen de dingen die gaan komen. En als hij zijn toevlucht zocht in de stilte van zijn kamer, dan zeiden zijn ledematen de dingen die gaan komen.
Toen werd hij bang: Zou hij de goede weg wel kunnen gaan, als hij al van tevoren wist waar zijn voeten hem zouden brengen? Dus vatte hij moed en bad dat God hem dit zou afnemen. En God willigde zijn verzoek in: de angst voor de toekomst werd van hem weggenomen, maar niet de hoop.

Hopen is de eeuwige jeugd in een wereld die oud wordt.
Hopen is de verwachting van de lente in de kou van de eeuwige sneeuw.
Hopen is daar beginnen waar de wereld eindigt.
Hopen is deemoedige bescheidenheid in de grootheid van Gods plan.
Hopen is de glimlach door de tranen heen van een naamloos verdriet.
Hopen is midden in de nacht weten dat eens de dageraad doorbreekt.

J. Smiers
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd