Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 17 maart 2019

2e zondag Veertigdagentijd

Ex. 3, 1-8a, 13-15
1Kor. 10, 1-6, 10-12
Lucas 13, 1-9

De liturgie van deze zondag nodigt ons uit na te denken over de
gave van geloof en vertrouwen in God. Abraham leert ons de
basishouding hiervoor. Vanaf het moment dat God hem riep,
vertrouwde hij op God, zelfs wanneer zijn geloof zwaar werd
beproefd. Vanwege zijn geloof werd hij overvloedig gezegend
met een talrijk nageslacht. Abraham had, zoals ieder van ons,
twijfels over het leven en de bedoeling van God. Hij twijfelde in
zijn droom. Maar toch hield hij zijn geloof stevig vast met een
open geest, gericht op God die hem ook uiteindelijk geleid
heeft om de juiste weg te kiezen.
Paulus toont ons datzelfde geloof en vertrouwen in de toewijding
aan Christus. Dit impliceert ook: eenheid en vrede bevorderen
in deze wereld. Hoe meer we geloven, des te meer zijn we geroepen
om te helpen in het zoeken naar eenheid en vrede in de samenleving,
om Gods gemeenschap op te bouwen en zijn boodschap van liefde
en barmhartigheid te verspreiden in de gemeenschap waar we actief zijn.
Het evangelie handelt over de transfiguratie van Jezus en de goddelijke
ervaring van de drie apostelen. Waar komt deze ervaring vandaan?
Goddelijke ervaring is een geschenk van God en niet iedereen
kan ze ervaren. Maar het is zeker dat de kans op zo'n ervaring
klein is als we er niet op vertrouwen dat God wonderbaarlijke
dingen in ons leven kan doen. De goddelijke ervaring van Petrus
bracht hem ertoe te suggereren drie hutten te bouwen. Dit geeft
ons een idee wat een impact het heeft als je in je leven Gods
glans mag ervaren. De godsontmoeting en het zien van God in
ons helpt ons om van binnenuit te veranderen. Hierdoor gaan
we kiezen om de anderen als prioriteit van het dagelijks leven te
zien. Een ander aspect van een godsontmoeting is om van de
berg naar het gewone leven af te dalen. Ga met die ervaringen
naar de armen om met hen te delen in woorden en in daden.
Blijf niet op de berg, maar deel die ervaring met hen die ze nog
niet hebben.

Pastor Simon Nongrum sdb
 

Overdenkingen 10 maart 2019

1ste zondag Veertigdagentijd

Deuteronomium 6, 4-10
Romeinen 10, 8-13
Lucas 4, 1-13

Jezus laat zich door Johannes dopen in de Jordaan. De Heilige Geest
daalt op Hem neer en een stem uit de hemel klinkt: “Gij zijt mijn Zoon,
de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen”. Direct daarna wordt Jezus
door diezelfde Geest geleid naar de woestijn om daar veertig dagen
op de proef gesteld te worden door de duivel. Het Joodse volk
wordt door God bevrijd uit Egypte en trekt droogvoets door de
Schelfzee. Het water van de dood wijkt voor het pad van het leven.
Maar het volk staat wel in de woestijn. Daar stelt God zijn volk veertig
jaar op de proef voor dat het het land van belofte mag binnengaan.
Ook in de woestijn trekt God mee met zijn volk en laat het niet in de
steek. Jezus wordt in de woestijn op de proef gesteld door de duivel
maar heeft als houvast Gods woord. Jezus heeft honger. De duivel
vraagt hem van stenen brood te maken als Hij Gods Zoon is. Jezus
antwoordt: “Er staat geschreven: niet alleen van brood zal de
mens leven ( maar van alles wat uit de mond van de Heer komt)”.
De duivel laat Jezus alle koninkrijken van de wereld zien. Ze zullen
van jou zijn met alle macht en heerlijkheid als je mij aanbidt. Het is
de verleiding van de macht. Alleen God zul je aanbidden en Hem
alleen dienen. God zal aan Jezus een andere macht en heerlijkheid
geven. In de laatste verzoeking misbruikt de duivel nogmaals een
Bijbeltekst. God beschermt ons maar dat betekent niet dat wij ons
aan onnodige gevaren mogen blootstellen met de gedachte dat God
ons wel zal helpen. Veertigdagentijd, een tijd van bezinning. Kunnen
wij weerstand bieden aan de dingen die ons afhouden van het wezenlijke,
stil worden en afdalen in onszelf, de weg van het verstand naar het hart,
het geloof. Daar diep in onszelf mogen we God ontmoeten, door
het duister naar het licht.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 3 maart 2019

8e zondag door het jaar

Jezus Sirach 27, 4-7
1 Korintiërs 15, 54-58
Lucas 6, 39-45

De eerste lezing uit het boek Jezus Sirach heeft niets aan actualiteit
ingeboet. Het gaat over de gevaren van de handel waar de zakenman
en de handelaar aan blootstaan. Om snel rijk te worden, grote winsten
te maken, neemt men het niet zo nauw met rechtvaardigheid. De profeet
Amos spreekt al over verkopers die knoeien met maten en weegschalen
We denken in onze tijd aan de multinationals en het internationale
bankwezen. “Uit winstbejag zondigen velen en wie erop uit is rijk te
worden, wendt zijn ogen af”. Met andere woorden: hij die alleen bezig
is met zichzelf en zijn bezittingen en zich niet bekommert om de ander
die in zijn nood een beroep op hem doet. “Zoals een pin vast komt te
zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de zonde zich tussen
verkoop en koop”. Men koopt in voor een lage prijs en verkoopt het met
een te hoge winst. Dan speelt nog de vraag of de lage prijs van de inkoop
een eerlijke prijs was of uitbuiting?
In onze moderne, geseculariseerde wereld is er geen sprake meer van
God en heeft de mens zijn ijkpunt verloren. Dat de mens van nature weet
wat goede en kwaad is, betwijfel ik en als hij het weet, zijn er veel mensen
die er zich niets van aantrekken. Een goede boom brengt goede vruchten
voort. Een goede boom, een goed mens, is geworteld in goede grond, in
God.

“Hij heeft vreugde aan de Thora van de Heer en overweegt deze
dag en nacht want hij is als een boom geplant aan waterstromen”
(Psalm 1).

De evangelist Johannes spreekt over Jezus die het levend water
geeft. Alleen verbonden met de wijnstok kunnen de ranken groeien.
Om een goede boom te blijven, moeten we ons geloof steeds
hernieuwen om het te behouden. In echt geloof verbonden met
God, hebben wij hier al deel aan Zijn eeuwigheid en heeft het
vergankelijke al het onvergankelijke aangedaan.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 24 februari 2019

7e zondag door het jaar

1Sam. 26, 2.7-9.12-13.22-23
1 Kor. 15, 45-49
Lc. 6, 27-38

We lezen een vervolg op de ‘vlakterede’ van Jezus, die hij vorige
week begon met de zaligsprekingen en de wee-woorden. Deze
keer heeft Hij het over het beminnen van je vijanden. Geen
gemakkelijke opdracht! In het eerste boek Samuel krijgen we
een mooi voorbeeld van deze liefde voor de vijand. Koning Saul
is jaloers op David en zoekt hem om te doden. David is gevlucht,
maar Saul gaat achter hem aan. David en zijn mannen komen
’s nachts bij het kamp van Saul en hij krijgt de kans om Saul te
vermoorden. Maar David wil hem niet doden. Hij heeft nog altijd
respect voor de koning, de gezalfde van God. Hij neemt echter de
lans en de waterkruik weg: symbool van macht en leven. Daarmee
toont hij aan dat hij geen kwaad wil doen en dat Saul zonder reden
jacht maakt op hem.
Je vijand liefhebben en zegenen, vergiffenis schenken, geweldloos
verzet, barmhartig zijn zoals de Vader, niet veroordelen, ... Jezus
daagt ons hier wel heel erg uit. ‘Kan ik dit wel?’
Misschien is dit niet de juiste vraag. Is het niet beter je allereerst
af te vragen: ‘Wil ik dit wel?’ Je kan dit willen, wanneer je je hart
richt op wat echt belangrijk is. Jezus houdt je hierbij een spiegel
voor: je ziet jezelf en ontdekt dat je niet beter bent dan je vijand.
Maar dat betekent niet dat je moet doen zoals hij. Neen, Jezus roept
je op om daar boven te staan, de spiraal van macht en eigenbelang
te doorbreken door beter te doen. Kwaad overwin je nooit met kwaad,
maar met het goede. De grootmoedige vergevingsgezindheid van
David bracht Saul later tot inkeer: ‘Ik heb verkeerd gedaan! Terwijl
ik kwaad doe, behandel je mij goed! (1Sam.26,21).
Wat David deed en waar Jezus toe oproept doet God, de Vader:
hij vergeeft ons wat we kwaad doen. Laten we dan ook barmhartig
zijn, zoals de Vader dat is.

Pastor Dominiek Deraeve sd
 

Overdenkingen 17 februari 2019

6e zondag door het jaar

Jer.17, 5-8
1 Kor. 15, 12. 16-20
Lc. 6, 17. 20-26

‘Gelukkig is hij die op de Heer vertrouwt’, schrijft Jeremia, en hij vergelijkt
de gelovige met een boom bij het water die altijd vele vruchten voortbrengt.
In onze tijd lijkt het echter dat geloven niet zo vruchtbaar is. Je wordt raar
aangekeken als je gelooft en zegt dat je naar de kerk gaat. Je moet je
verantwoorden en dat is niet zo gemakkelijk. Want, waarom geloof je?
Het is gemakkelijker te zeggen waarom je niet gelooft, dat lijkt veel
aanvaardbaarder en gemakkelijker.
Mochten we echt zoveel voordeel uit het geloof halen, er zouden er
velen zijn die gaan geloven. Maar, geloven is niet eenvoudig. Jezus
maakt het er ook niet gemakkelijker op. Hij plaatst de armen, de
hongerigen, zij die huilen en gehaat worden op de eerste plaats. Aan
hen belooft hij dat ze beloond zullen worden, dat hun leven vruchtbaar
zal zijn. In een wereld waar het gaat om de rijkste, de sterkste, … is het
ongehoord dit te verkondigen. Toch doet Jezus het. Meer nog, hij nodigt
ons uit om ons niet bij de rijken te scharen, want zij zullen het bij God
niet waarmaken. Hij vraagt ons om ons leven te delen met de mensen
die het moeilijk hebben, door op te komen voor gerechtigheid en een
betere wereld voor iedereen.
Het leven van de gelovige zal vruchten dragen, zoals een boom vruchten
draagt. Maar, wat geloven we? Paulus schetst het heel duidelijk: we
geloven dat er opstanding is van de doden. We kunnen dit geloven
omdat Christus verrezen is. De verrijzenis van Christus is de kern van
ons geloof. Door de verrijzenis van Christus heeft God ons getoond
hoe groot zijn liefde is: zelfs de dood krijgt haar niet klein!
Laten we daarom ons leven planten als een boom, met wortels tot in
de rivier, het Levende Water en er trots op zijn dat ons leven vruchtbaar
is: geluk, niet geschonken door rijkdom, maar door verbondenheid met
God, die alle mensen, roept tot het echte leven.

Pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenkingen 10 februari 2019

5e zondag door het jaar

Jesaja 6, 1-2a, 3-8
1 Korintiërs 15, 1-11
Lucas 5, 1-11

Deze zondag horen we verschillende roepingsverhalen. Hij die door
God geroepen wordt, antwoordt: “Hier ben ik”. Er is bij de geroepene
ook aarzeling. Kan ik wel volbrengen wat God van mij vraagt. Ben ik
daar wel geschikt voor. Als God Mozes roept, heeft hij allerlei uitvluchten.
Ik ben geen man van het woord en kan niet goed spreken. God zegt:
“Ik zal met uw mond zijn en u leren wat gij spreken moet”. En Mozes
antwoordt: “Ach Heer, zend toch iemand anders”. Dan is het geduld
van God op en wordt Hij boos. Uw broer Aäron zal voor u spreken.
Tot Jeremia spreekt God: “ Tot een profeet voor de volken heb Ik u
gesteld”. Maar Jeremia zegt: “Ach Heer, zie, ik kan niet spreken want ik
ben jong”. De Heer raak zijn mond aan en spreekt: “Zie, ik leg mijn woorden
in uw mond”. Indrukwekkend is de roeping van Jesaja. Serafs roepen elkaar
het “Heilig” toe. De deurpinnen beven en het huis is vol rook. Bevangen
van heilige huiver zegt Jesaja: “Wee mij, ik ga ten onder want ik ben een
man, onrein van lippen”. Daarop raakt een seraf met een gloeiende kool
de mond van Jesaja aan. “Nu is uw ongerechtigheid geweken en uw
zonde verzoend”.
Christus is als laatste verschenen aan Paulus die van zichzelf zegt dat
hij niet waard is een apostel te heten omdat hij de gemeente van God
vervolgd heeft. Door de genade van God alleen heeft hij kunnen werken.
Jezus vraagt aan Simon het net uit te werpen. Maar we hebben de hele
nacht gevist en niets gevangen maar op uw woord zal ik de netten
uitwerpen. Bij het zien van de grote vangst zegt Simon: “Ga uit van mij
want ik ben een zondig mens”. Maar Jezus roept hem om een visser
van mensen te worden.
God neemt onze beletsels weg. Wie Hij roept, zal Hij ook de kracht
geven zijn taak te volbrengen.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 3 februari 2019

4ej zondag door het jaar

Jeremia 1, 4-5, 17-19
1 Korintiërs 12, 31-13, 13
Lucas 4, 21-30

We horen van de roeping van de profeet Jeremia. Nog voor dat hij
geboren werd, heeft God hem geheiligd, dit wil zeggen apart gesteld,
om een bijzonder taak te vervullen, profeet te zijn voor alle volken.
Het Joodse volk was door God geheiligd, door God uitverkoren.
Het klinkt mooi maar het is een zware opgave. Jeremia zal het Joodse
volk het oordeel moeten aanzeggen. Dat zal hem niet in dank worden
afgenomen. Maar God zal hem beschermen en hem maken tot een
versterkte stad, een ijzeren zuil en een koperen muur tegen het
gehele land, de koningen, priesters en burgers. Zij zullen tegen
Jeremia strijden maar niets vermogen want de Heer is met hem.
We hoorden vorige zondag dat Jezus in zijn geboortestad Nazareth
uit de Schrift las. Jezus sluit de boekrol en zegt: “Heden is dit
Schriftwoord voor uw oren vervuld”. De toehoorders betuigen hun
instemming en verwonderen zich over zijn woorden van genade.
De verwondering slaat om in onbegrip. Dit is toch de zoon van
Jozef de timmerman. Jezus voelt de weerstand en kan er geen
genezingen doen. Jezus had weg kunnen gaan en zwijgen. Jezus
echter spreekt harde woorden omdat de waarheid gezegd moet
worden. Een profeet is niet aangenaam in zijn vaderstad. Elia deed
geen wonderen in Israël maar wel er buiten in Sidon. Er waren vele
melaatsen in Israël maar de Syriër Naäman werd genezen. Jezus
wordt de stad uitgegooid en men wil Hem in het ravijn gooien.
Ook in onze tijd zwijgen mensen niet omwille van de gerechtigheid
en moeten dit bekopen met gevangenschap of zelfs de dood. Het
geloof vraagt van ons een totale inzet waarbij moeilijkheden niet
vermeden kunnen worden.
Deze totale inzet kan alleen putten uit de kracht van de liefde die
niet zichzelf zoekt, niet praalt, niet kwetst, het kwade niet toerekent
en alles verdraagt. Laten we proberen iets van die liefde in ons waar
te maken.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 27 januari 2019

3e zondag door het jaar
Nehemia 8,2-4-a.5-6.8-10
1korintiërs 12,12-30
lucas 1,1-4;4,14-21

Vandaag horen we twee stukken uit het evangelie volgens Lucas: het
allereerste begin en een deel uit hoofdstuk 4. Het is de enige zondagse
lezing bestaande uit stukken die zo ver uit elkaar liggen. Waarom deze
combinatie?
Allereerst draagt Lucas zijn evangelie op aan Teofilus (letterlijk iemand
die van God houdt, dus ieder van ons). Daarbij zegt hij dat er al velen
voor hem zijn geweest die het verhaal van Jezus hebben verteld, en dat
hij het nu op basis van ooggetuigen gaat opschrijven. In hoofdstuk 4 is
Jezus na zijn doop in de Jordaan en bekoring in de woestijn teruggekeerd
naar Nazaret, waar Hij in de synagoge voorleest uit de profeet Jesaja.
Daarna verklaart Hij het voorgelezene (Gods bevrijdende Geest die
werkt te midden van armen, gevangen, blinden en verdrukten) van
toepassing op zijn eigen situatie.
Wat de beide delen in mijn ogen met elkaar verbindt, is dat gelovige
mensen, niet alleen wij, maar ook Jezus, altijd geworteld zijn in een
traditie. Wij zijn gelovig geworden op basis van wat ons is overgeleverd.
Dat geldt voor ons allemaal, of we nu als kind gelovig opgevoed zijn of
het later geworden zijn.
Lucas geeft het geloof door dat gemis overgeleverd. Jezus staat heel
zijn leven in de traditie van het volk Israël, zoals vandaag blijkt uit het
voorlezen van Jesaja in de synagoge, en die wordt nieuw en levend
in zijn optreden.
De eerste lezing gaat over de tijd na de ballingschap als het volk voor
het eerst weer thuis in vrijheid het eigen leven kan leiden. Het voorlezen
uit de Bijbel zorgt dat velen er spontaan van beginnen te huilen.
Hopelijk gelopen de lezingen ons het belang van onze traditie te zien:
hoe het Woord van God en degenen die ons zijn voorgegaan, ons kunnen
helpen om het goede spoor in ons leven te vinden. We ontvangen, en geven
opo onze beurt door. Over hoe wij elkaar daarbij kunnen helpen - ieder met
onze eigen mogelijkheden en talenten zoals verschillende delen van het
ene lichaam van Christus - schrijft Paulus in de tweede lezing.

pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 20 januari 2019

Oecumenische viering week van gebed

Deuteronomium 16, 10-20
Lucas 4, 14-21

Deze zondag vieren wij met medechristenen, terwijl we samen bidden
om eenheid. Dat is mooi en nodig, en ook het gebed van Jezus zelf die
wij gezamenlijk als onze Heer belijden: ‘Laat hen allen één zijn, Vader.’
(Johannes 17, 21)
In deze speciale viering start de eerste lezing bij het samenkomen van
de Joodse gemeenschap - onze oudere zussen en broers, van alle
christenen - in de drie grote feesten van Pesach, het Weken- en het
Loofhuttenfeest. Dat zijn de feesten die met iedereen moeten worden
gevierd, en de slavinnen en de slaven mogen niet vergeten worden.
Als deze feesten samen gevierd zijn, dan weet het hele volk weer goed
hoe veel zij aan Gods goedheid te danken hebben. En dan is de tijd rijp
om als mensen - kinderen van God en dus elkaars zussen en broers -
elkaar recht te doen. Niemand mag zijn eigen geluk, macht of rijkdom
zoeken ten koste van de ander. ‘Zoek het recht en niets dan het recht.’
Christenen uit Indonesië die dit jaar de teksten hebben uitgezocht en
voorbereid, kozen deze tekst als het centrale thema.
In het evangelie horen we hoe Jezus als gelovige Jood naar de synagoge
gaat om naar Gods Woord te luisteren. Ook wij zijn als christenen geroepen
om te luisteren naar hoe God vandaag tot ons spreekt, en te verstaan hoe
dit in ons concrete leven betekenis heeft. Jezus doet dit heel letterlijk. Hij
leest het woord van de profeet Jesaja voor dat de Geest van God aan
mensen de verantwoordelijkheid geeft om te zorgen dat mensen die in
de knel zitten, bevrijd worden van wat hen klein houdt en van wat
onmenselijk is. En zegt er dan achteraan: ‘En vandaag gebeurt dat.’
Laten wij vandaag met alle christenen samen hopen en bidden en zorgen
dat wij dit Jezus nazeggen: En vandaag gebeurt het, hier en nu bij ons.

pastor Colm Dekke
 

Overdenkingen 13 januari 2019

doop van de heer

Jesaja 40, 1-5. 9-11
Titus 2, 11-14; 3, 4-7
Lucas 3, 15-16. 21-22

Vorige zondag vierden we het feest van Epifanie, de verschijning van
de Heer. Het feest van Epifanie is als het ware een drieluik en bestaat
uit drie feesten, de komst van de wijzen uit het Oosten en de doop
van Jezus in de Jordaan waar wij deze zondag bij stilstaan. In de vroeg
christelijke kerk stond op 6 januari het feest van de doop van
Jezus centraal. Ter afsluiting van Epifanie volgt komende zondag de
bruiloft te Kana.Jesaja zegt dat wij een weg moeten bereiden voor de
Heer. Wij moeten ons voorbereiden op zijn komst. Het Jodendom
verwacht de Messias. Voordat de Messias komt moet Elia komen
volgens de profeet Maleachi. “Zie, Ik zend mijn bode die voor
mijn aangezicht de weg bereiden zal”. God zendt Elia om het volk op
te roepen tot bekering voordat de grote geduchte dag komt.
Zoals in het O.T. Elia de bode is, zo is in het N.T. Johannes de Doper
de wegbereider, de bode, die bij de evangelisten de gestalte aanneemt
van Elia. Johannes predikt de doop der bekering tot vergeving van
zonden. Johannes doopt in de rivier de Jordaan. Ook
Jezus laat zich dopen. Heeft Jezus dan een bekering nodig?
De evangelisten willen benadrukken dat Jezus ten volle mens is.
De theorieën over de erfzonde en de twee naturen van Christus
(een goddelijke en menselijke) zijn veel later ontstaan. Na de doop,
in gebed, opent zich de hemel en daalt de Heilige Geest in de gestalte
van een duif op hem neer en spreekt een stem uit de hemel: “Gij zijt
mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen”. Daar zal Jezus
tot het besef gekomen zijn dat God hem bestemd heeft voor een
bijzondere taak. Evenals in de Kerstnacht gaat hier ook de hemel open.
Hemel en aarde worden verbonden. Jezus brengt hemel en aarde
samen. Uw wil geschiede gelijk in de hemel zo ook op aarde.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 6 januari 2019

feest van de driekoningen

Jesaja 60, 1-6
Efeziërs 3,2-3. 5-6
Mattheüs 2, 1-12

Vandaag vieren we het feest van Epifanie, de Openbaring van de Heer,
in de volksmond Driekoningen genoemd. Met Kerstmis wordt Jezus het
eerst geopenbaard aan het Joodse volk, aan de herders. Op diezelfde
velden bij Bethlehem was David ook eens herder. Op Epifanie wordt
Jezus geopenbaard aan de volkeren, de niet- Joden, de heidenen,
aan ons. Bij Jesaja horen we over het visioen aan het einde van de
tijden. Jeruzalem, Sion, eertijds vernedert, zal verheven worden.
Jeruzalem wordt verlicht en de heerlijkheid van de Heer gaat over
haar op. Duisternis zal de aarde en de volkeren bedekken. De volken
zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.
Van verre zullen de volken hun rijkdommen meebrengen. Uit Scheba
zullen zij allen komen met goud en wierook en zij zullen de roemrijke
daden van de Heer blijde verkondigen.
Wijzen, magiërs uit het oosten hebben aan de hemel een nieuwe
ster zien verschijnen. Dat is het teken dat een koningskind geboren is.
Zij volgen de ster en gaan naar de hoofdstad Jeruzalem. Een koningskind
wordt toch aan het hof geboren. De wijzen vragen waar de koning der
Joden is geboren? Koning Herodes schrikt hevig, een rivaal? Hij roept
de hogepriesters en Schriftgeleerden bijeen om na te gaan waar het
kind geboren is. Volgens de profeet Micha in Bethlehem in Judea.
De wijzen gaan weer op weg. De ster die zij in het Oosten gezien
hadden, gaat hen voor en blijft staan op de plaats waar het kind is.
Geen paleis maar een stal. En toch verheugen zij zich zeer.
Zij brengen het kind hulde en geven hun schatten.
Nu is Jeruzalem nog de stad van macht. Weg van Jeruzalem moeten
wij de smalle weg naar Bethlehem gaan om daar in alle nederigheid
te knielen in de stal. Daar zal ons geopenbaard worden dat dit kleine
kind de koning van de vrede is. Als we Hem volgen, zal Jeruzalem
werkelijk stad van vrede worden.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 23 december 2018

4e zondag van de Advent

Micha 5, 1-4a
Hebreeën 10, 5-10
Lucas 1, 39-45

Twee vrouwen in blijde verwachting ontmoeten elkaar. Zij hopen op een
kind, maar tegen alle menselijke redelijkheid in: de ene ‘heeft nog geen
man bekend’ en de andere is te oud. Geloven vraagt ook van ons: durven
verwachten dat er iets nieuws kan gebeuren in wat menselijkerwijze
onmogelijk is. Maria gaat op bezoek bij Elisabeth. Het is dus eigenlijk
Jezus die naar Johannes toe komt. God zelf neemt het initiatief om onze
mensenwereld binnen te treden.
Gods reddingskracht ontmoet ook dit jaar de hopende
mensheid. Ook dit jaar komt God, de Vredebrenger, weer in onze wereld
als een kleine mens. Gods vrede en liefde komen steeds bij ons binnen
op een manier die hoopvol en nieuw is, maar tegelijk kwetsbaar en broos
als een pasgeboren kind. Zou dat ons niet veel leren over de manier
waarop wij moeten omgaan met hen die ook met ons meegaan op onze
weg: de kleineren en de zwakkeren?

Pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenkingen 9 december 2018

Baruch 5, 1-9 Filippenzen 1,3-6, 8-11 Lucas 3, 1-6

Vorige zondag hoorden we over de grote benauwdheden en de verlossing die nabij is. Op deze 2e zondag van de Advent lezen we dat de verlossing een feit is. De lijdenstijd van Jeruzalem is volbracht, het heeft geboet voor zijn ongerechtigheid. Jeruzalem mag het kleed van ellende en rouw afleggen en zich bekleden met Gods stralende schoonheid. Het Joodse volk heeft in de ballingschap geboet voor zijn zonden en is tot inkeer gekomen. God vergeeft, verzoent. De ballingschap is ten einde en de ballingen mogen uit Babel terugkeren naar Jeruzalem. God vult de dalen en slecht de bergen en heuvels zodat het volk zonder hindernissen vreugdevol kan teruggaan, opgaan naar Jeruzalem. God maakt een nieuw begin met zijn volk. Maar we weten hoe dat gaat. Goede voornemens, een tijd gaat het goed en dan vallen we terug in oude gewoontes en moeten we weer tot de orde geroepen worden. Dat doet in het evangelie Johannes de Doper. Hij preekt de doop der bekering tot vergeving van zonden. Evenals in het geboorteverhaal van Jezus wordt Johannes zeer nauwkeurig geplaatst in de wereldgeschiedenis van machthebbers. Daar tegenover staat God die geschiedenis maakt met de mens, Hij die handelt, gebeurt, inbreekt in onze geschiedenis.
Willen wij voortgaan op de oude weg of ons bekeren, omkeren en God toelaten in ons hart. God maakt voor de terugkerende ballingen een wel gebaande weg. Het omgekeerde lezen we deze zondag in het evangelie. Wij moeten voor de Heer een weg bereiden. In de Advent bereiden we ons voor op de komst van Jezus, op Kerstmis. Hoe doen we dat? Door niet te kijken wat de wereld daarvan gemaakt heeft, een feest van uiterlijkheid, glitter en jeugdsentiment. Advent is een tijd van bezinning, van inkeer in jezelf. Weg van de dagelijkse drukte het stil maken en afdalen in jezelf. Daar in de stilte van het hart mogen we God ontmoeten. Dan mag het Kerstmis worden, feest van stille verwondering en innerlijke vreugde.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 2 december 2018

Jeremia 33, 14-16 1 Tessalonicenzen 3, 12 - 4, 2
Lucas 21, 25-28; 34-36

Het nieuwe kerkelijk jaar, de Advent, begint met Psalm 25: “Tot U, Heer, hef ik mijn ziel op; mijn God, op u vertrouw ik; beschaam mij niet, laten mijn vijanden niet over mij juichen”. Nog enkel citaten uit deze Psalm. “Heer, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden, leid mij in uw waarheid”. “Vergeef mij mijn ongerechtigheid want die is groot”. “Zie op mijn ellende en mijn moeite en vergeef al mijn zonden”. “Bewaar toch mijn ziel en red mij”. “O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden”.
We lezen uit de profeet Jeremia. Toen het Joodse volk niet de paden van de Heer bewandelde maar ongerechtigheid deed en andere goden aanbad, heeft Jeremia het volk gewaarschuwd en opgeroepen tot bekering. Als het zich niet bekeert, is het oordeel niet meer af te wenden. Jeruzalem zal ingenomen worden door de Babyloniërs, de tempel verwoest en de koning met de bovenlaag van de bevolking weggevoerd naar Babel. De koning en het volk willen niet luisteren naar deze onheilsprofeet en Jeremia wordt gevangen gezet. In de ogen van de profeten is de ballingschap de straf voor de begane zonden van het volk. Deze historische gebeurtenis wordt in de Bijbel religieus geïnterpreteerd. Zoals aan het einde van de Psalm spreekt Jeremia tenslotte een verlossend woord. De Heer zal een keer brengen in het lot van Juda en Israël en hen opbouwen als weleer. God zal een nazaat van David geven die het land in gerechtigheid bestuurt.
In het evangelie van Lucas lezen we uit de rede van de laatste dingen met huiveringwekkende beelden, benauwdheden ten top. Dan zal de Zoon des mensen komen met grote macht en heerlijkheid, ten teken dat onze verlossing nabij is. Wij mogen niet de moed verliezen en wanhopig worden door alle politieke onrust in de wereld en gepraat van doemdenkers. Laten we uitzien naar de komst van Jezus, onze Verlosser, die zin geeft aan ons leven in een wereld vol dwaasheid.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 25 november 2018

Daniël 7, 13-14 Apokalyps 1, 5-8 Johannes 18, 33-37

Een sterke leider moet eem mensem een gevoel van veiligheid geven. Die
behoefte is sterker als er dreigingen van buitenaf zijn zoals in tijden van oorlog, of dreigingen van binnenuit zoals armoede en grote werkloosheid. Sommige leiders spelen hier handig op in, spelen mensen en bevolkingsgroepen tegen elkaar uit en eigenen zichzelf een grote macht toe. En maar al te vaak gaat dit ten koste van een groot deel van het volk, en blijft er van dat gevoel van veiligheid voor de mensen uiteindelijk niets over.
Ook in de Bijbel vinden we dit soort processen, bijvoorbeeld als het volk van Israël voor het eerst van God een koning eist, en koning Saul krijgt. De Bijbel ziet die eis van de mensen als een gebrek aan vertrouwen in God, die de enige echte herder en koning van zijn volk is.
Op de laatste zondag van het liturgische jaar vieren wij het feest van Christus, Koning van het heelal. Dit feest is ingesteld in een tijd dat de kerk een sterke leider nodig had tegenover het gevaar van het opkomende communisme.
Maar welk beeld van die grote koning en sterke leider die Jezus zou moeten zijn, krijgen we dan vandaag uit de lezingen aangereikt? In het boek Daniël - uit een tijd van onmenselijk zware onderdrukking - verschijnt als een visioen van hoop de gestalte van een mens zoals die door God bedoeld is, die van de Eeuwige koninklijke macht krijgt over alle volken, stammen en talen.
De Openbaring van Johannes geeft - ook in een tijd van onderdrukking, nu van de eerste christengeneraties - een zelfde soort troost in visioenen. Daarbij wordt Jezus, die zelf door de dood heen is gegaan, eer gebracht omdat Hij, de Alfa en de Omega, ons allen tot een koninklijk geslacht heeft gemaakt.
Die Jezus staat in het evangelie voor Pilatus, en legt daar getuigenis af van Gods trouw aan zijn mensen. Jezus stond zijn hele leven voor de komst van Gods koninkrijk voor alle gebroken, arme mensen. Daar blijft Hij voor staan, ook als het Hem zijn eigen leven kost. Alleen zo wil Hij onze koning zijn.
pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 18 nov 2018

33e zondag van het jaar

Daniël 12, 1-3
Hebreeën 10, 11-14.18
Marcus 13, 24-32

We zijn bij de laatste twee zondagen van het liturgische jaar aanbeland.
Daar komen we beelden en een taal tegen die apocalyptisch wordt
genoemd: die gaat over ‘de laatste dingen’, over het einde der tijden.
Soms klinken die dreigend, zoals ‘die verschrikkingen in die dagen’ en
de beschrijvingen van veranderingen in de natuur zoals de sterren die
van de hemel vallen. Toch is de bedoeling nooit om mensen bang te
maken, maar wel om het besef bij te brengen dat ons leven eindig is
en dat we allemaal ooit verantwoording moeten afleggen over ons leven.
Op een of andere dag - waarvan we de plaats noch het uur kennen -
zullen wij de verrezen Heer ontmoeten, van aangezicht tot aangezicht.
Wie van ons denkt er wel eens aan deze dag? De vraag is niet: Wanneer
zal dit gebeuren? De goede vraag is: Ben ik er klaar voor?
In de kerk van de eerste eeuwen was er een gewoonte dat een diaken,
voordat de paasliturgie begon, naar de deur ging om buiten te gaan
kijken of de Messias al gekomen was. Als hij dan terugkwam en riep:
‘Nee, hij is nog niet gekomen’, dan antwoordde de bisschop: ‘Laten we
het dan dit jaar maar weer met de liturgie doen.’
Hiermee wordt uitgedrukt dat iedereen in zijn of haar tijd moet leven
alsof het nu de tijd is van de (weder)komst van de Messias.
Niemand weet wanneer Hij verschijnt, maar - wordt ons vandaag
gezegd - te midden van al die tekens zal Hij verschijnen als een
Mensenzoon. Dat wil zeggen als een stralende mens, als de mens
zoals God ons mensen heeft bedoeld. Elders zegt Jezus dat wij Hem
nu in ons leven telkens ontmoeten in onze medemens die in nood is.
Om ons hierop te attenderen heeft paus Franciscus deze voorlaatste
zondag van het jaar uitgeroepen tot Werelddag van de armen.

pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 11 november 2018

1 Koningen 17, 10-16
Hebreeën 9, 24-28
Marcus 12, 38-44

Ondanks je armoede toch nog kunnen geven. Daar gaat het in de
lezingen van deze zondag over. God geeft aan Elia de opdracht naar
Sarfath te gaan. Daar zal een weduwe voor hem zorgen. Bij de stadspoort
ziet hij een weduwe hout sprokkelen en vraagt haar wat water voor hem
te halen. Als ze terug komt vraagt Elia om wat brood. Dat zal moeilijk
gaan. Ze heeft nog een beetje meel en wat olie. Daarmee wil ze een
broodje bakken voor haar zoon en zichzelf.
Als dat op is, moeten ze maar sterven. Elia zegt: “vrees niet, ga naar
huis, bak een kleine koek en breng die mij. Later kun je voor jezelf
en je zoon een andere klaarmaken. Want zo zegt de Heer, de God
van Israël: het meel in de pot zal niet opraken en de olie in de kruik
zal niet ontbreken tot op de dag dat de Heer regen op de aardbodem
geven zal”. De weduwe gaat naar huis en doet wat Elia haar gezegd
heeft. Inderdaad, het meel en de olie raken niet op. Wat heeft deze
vrouw een groot geloof en vertrouwen in het woord van de profeet
en de God van Israël. We denken aan Abraham die ondanks alles
vasthoudt aan zijn geloof. Als Izak vraagt waar het offerlam is, antwoordt
Abraham: “De Heer zal er in voorzien”. Vertrouwen in God die is, ”Ik zal er
zijn”. God die opkomt voor de zwakken, Hij die de hulpeloze helpt.
Dit geloof moet ook de arme weduwe gehad hebben die haar laatste geld,
haar hele levensonderhoud in de offerkist van de tempel werpt. Zij, die
alles geeft aan God , zal van Hem ook weer ontvangen. Wie geeft wordt
niet armer maar innerlijk rijker. Geven, loslaten, is belangrijker dan
hebben, vergaren en vasthouden van rijkdom en bezit. Bezit en macht
leiden tot oorlog. Wie geeft, brengt vrede in de wereld en zal vrede
hebben in zijn eigen hart.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 november 2018

Deuteronomium 6, 2-6 Hebr. 7, 23-28 Mc. 12, 28b-34

Mozes drukt het Joodse volk op het hart dat als het in het Land komt, het de geboden
van God nauwgezet moet blijven onderhouden. God is met zijn volk meegetrokken door
de woestijn en heeft het geleid naar het Land. Wonen in het Land is niet het eindpunt.
Daar begint het pas. Als het de mens goed gaat, heeft hij snel de neiging God te
vergeten. De voorwaarde om in vrede te kunnen wonen in het Land onder de
bescherming van God is zijn geboden te onderhouden en trouw te zijn aan zijn Verbond.
Het grootste gebod en tevens geloofsbelijdenis wordt uitgesproken in het Sjema
Jisra’eel, het belangrijkste gebed van het Jodendom. “Hoor (besef), Israël: de Heer is
onze God; de Heer is de enige. Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart
en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht”. Van deze woorden moet de mens vol
zijn. Bij het gebed bindt de vrome Jood nog steeds een doosje met onder andere deze
tekst op zijn arm en zijn voorhoofd en heeft een kokertje aan de deurpost, de mezoeza.
Van de liefde voor de Thora spreekt ook het Hooglied: ”Leg mij als een zegel aan uw
hart, als een zegel aan uw arm”.
Gij zult de Heer uw God liefhebben. Jezus voegt een tweede gebod toe. Gij zult uw
naaste liefhebben als uzelf. In het eerste gebod ligt het tweede al besloten. De liefde tot
God krijgt pas gestalte in de liefde tot de naaste. “Wat gij aan minste van mijn broeders
hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan”. Drie relaties zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Mijn relatie tot de ander, tot God en tot mijzelf. Je naaste liefhebben is
moeilijk maar jezelf liefhebben vaak nog moeilijker. Je kunt pas wat betekenen voor de
ander als je jezelf kunt aanvaarden en vrede hebt met je verleden. “Al veroordeelt ons
hart ons, God is groter dan ons hart” (1 Joh. 3,20).

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 28 oktober 2018

Jer. 31 7-9 Hebr. 5 1-6 Mc. 10. 46-52

Bij de lezing van het verhaal van de blinde Bartimeüs vallen drie dingen heel sterk op. De man schreeuwt naar Jezus om medelijden; Jezus vraagt: ‘wat wilt u dat Ik voor u doe?’; Jezus zegt: ‘uw geloof heeft u gered’
Een mens kan door vreselijk lijden getroffen worden. Deze man is blind en daardoor moet hij bedelen. Hij kan niet deelnemen aan het normale sociale leven en is voor zijn levensonderhoud afhankelijk van de goodwill van anderen. Vanuit zijn grote lijden schreeuwt hij tot Jezus, die hij ‘Zoon van David‘ noemt, in de Bijbelse traditie de naam van de Messias die het volk verwacht. Hij is niet tegen te houden, ook niet wanneer men hem gebiedt te zwijgen. Steeds luider schreeuwt hij zijn pijn uit. Jezus hoort het roepen en gaat erop in. De man wordt geroepen en dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus vraagt hem wat Hij voor die man kan doen. We zien hier Jezus als de dienaar. Hij had nog maar net verklaard dat? ?de Mensenzoon niet gekomen was om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen (vorige week) en Hij voegt de daad bij het woord. En de man antwoord vanuit zijn geloof. Het is niet Jezus die hem geneest van de blindheid, maar het geloof van de man!??????????????
Ook wij kunnen getroffen worden door een immens lijden – fysiek of psychisch – waardoor we radeloos worden en God smeken om hulp. Soms lijkt het alsof Hij het niet hoort, mensen zeggen dan dat we ons maar bij ons lot moeten neerleggen. Marcus geeft ons de raad niet op te houden tot God te roepen. Hij zal ons horen. Maar, als Hij dan luistert, wat vragen we Hem en geloven we dat Hij het ons zal geven? De blinde vroeg om te mogen zien. Vragen we Hem om ons te helpen te zien waar het op aankomt in ons eigen leven, dat we de kracht mogen krijgen om – ondanks alles wat ons overkomt – te blijven geloven in het Leven en zijn Liefde.

Pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenking 21 oktober 2018

Jes. 53, 10-11 Hebr. 4, 14-16 Mc. 10, 35-45

Vriendjespolitiek! Ik doe iets voor jou, jij doet dan iets voor mij. Het speelt al sinds mensenheugenis op alle niveaus in de samenleving. In de politiek (daar komt het woord trouwens vandaan), in het bedrijfsleven, maar ook in het dagelijkse leven. Je verwacht dat iemand zorgt dat je een vrijkaartje krijgt voor het theater omdat jij hen getrakteerd hebt op een heerlijke maaltijd in een duur restaurant. Wat een ontgoocheling als je dan niet krijgt wat je verwacht hebt.
Zo ook met Jakobus en Johannes. Zij zijn met Jezus meegetrokken, ze helpen Hem bij zijn tocht. Waarom zou Hij hen dan niet een eerste plaats bezorgen in dat Rijk van God dat Hij aankondigt? Het is dus niet vreemd dat dit gebeurt. Wij zouden het misschien ook wel doen. Begrijpelijk is ook de reactie van de andere leerlingen. Is het jaloezie? Niemand neemt het dat anderen achter hun rug voorbijkruipen. De tien leerlingen doen toch net hetzelfde als Jakobus en Johannes? Ze hebben dus evenveel recht op die plaats!
Jezus geeft hen allemaal een lesje in nederigheid. Je zal maar je plaats verwerven als je de beker drinkt die Hij drinkt, als je het lijden dat Hij door moet ook wil doorstaan. Het gaat niet om macht, maar om dienstbaarheid. De weg naar echt geluk is nooit een gemakkelijke weg. Als je een top wil bereiken moet je vanuit het dal naar omhoog klimmen, het steile bergpad op. Er is geen kabelbaan die je omhoogvoert. Je kan niet van anderen verwachten dat zij steeds alles voor jou doen. Met heersen over anderen komt je er niet. Je moet het op eigen kracht doen. Beter nog is het als je het samen doet, mekaar bij de hand neemt en samen je weg zoekt uit het diepe dal naar een betere plek. In dit samen op weg gaan ontdek je dat dienstbaarheid de enige weg is om tot het geluk te geraken. En ook daarbij is het God zelf die jou de kracht hiertoe geeft.

pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenkingen14 oktober 2018

28e zondag door het jaar

Wijsheid 7, 7-11
Hebreeën 4, 12-13
Marcus 10, 17-39

In het N.T. komen de rijken er niet goed vanaf getuige de verhalen van de
rijke dwaas, de rijke man en de arme Lazarus en de rijke jongeling, het
verhaal van deze zondag. Rijk zijn op zich is niet slecht. De vraag is: wat
doe je met je rijkdom en wat is je levenshouding? Jezus vertelt de parabel
van een rijke man wiens land een grote oogst heeft opgebracht. Hij wil
grotere schuren bouwen om alles te kunnen opslaan. De man heeft een
voorraad voor vele jaren. Hij wil nu rusten, eten, drinken en vrolijk zijn.
God zal nog in dezelfde nacht zijn ziel halen. Waarom? Omdat hij zich blind
gestaard heeft op zijn bezit. Ik ben binnen en mij kan niets gebeuren. Het
gevaar dreigt dat het leven van de rijke alleen nog maar draait om bezit,
hebben en nog meer hebben, een tunnelvisie waarin geen oog meer is
voor iets anders.
De parabel van de rijke man en de arme Lazarus laat ons zien hoe
iemand in grote weelde kan leven en geen oog heeft voor de ellende
van een mens op zijn stoep. In veel landen vandaag de dag geen parabel
maar dagelijkse werkelijkheid.
En dan het verhaal van de rijke jongeling die tot Jezus komt en vraagt
wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven. Hij houdt zich strikt
aan het naleven van de tien Geboden en is eigenlijk een voorbeeldige
gelovige. Jezus krijgt hem lief. Maar één ding ontbreekt er aan. Ga heen,
verkoop alles wat je bezit en geef het aan de armen en je zult een schat
in de hemel hebben. Kom dan terug en volg Mij. De jongeling ging bedroefd
heen want hij bezat veel.
Ook wij bezitten veel. Om ons in gelovige zin als mens ten volle te
kunnen ontplooien, moeten we kunnen loslaten, de geslotenheid van
bezit en hebben maar in de openheid naar de ander in zorg en liefde
ligt het wezen van de mens.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 7 oktober 2018

27e zondag door het jaar

Genesis 2, 18-24
Hebreeën 2,9-11
Marcus 10, 2-16

We kennen het scheppingsverhaal dat in de Paaswake wordt gelezen. Uit het
duister van de chaos gaan we naar het licht. God schept, brengt scheiding
aan tussen licht en donker, het natte en het droge. Hij geeft alles zijn vaste
plaats. Als bekroning schept Hij naar zijn eigen beeld man en vrouw op de
zesde dag. Op de zevende dag rust God uit van alles wat Hij gemaakt heeft.
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden
( Genesis 2, 4a). Direct hierna volgt een ander scheppingsverhaal uit een
oudere traditie. De gewassen en de mens zijn er nog niet. Een damp stijgt
op uit de aarde en bevochtigt de aardbodem. Uit het stof van de aarde
formeert God de mens en blaast de levensadem in zijn neus en zo wordt
hij een levend wezen. De mens wordt niet geschapen naar het beeld van
God maar veel intiemer. De geest van God wordt in hem geblazen. In dit
verhaal staat de mens centraal en wordt eerder geformeerd dan de planten
en de dieren. Uit het stof worden ook de dieren van het veld en de vogels
gemaakt. God brengt ze bij de mens die ze een naam mag geven. Door een
naam wordt het een van het ander onderscheiden, het begin van kennis.
Er zijn zoveel levende wezens om de mens heen en toch voelt hij zich alleen.
Niemand spreekt hem aan, geeft hem een naam. Dan maakt God uit de rib
van de mens de vrouw. “Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees
van mijn vlees”. Genomen uit de man zal zij daarom “mannin” heten.
Zoals de vrouw uit de zijde van de man ontstaan is, zo is volgens de
symboliek van de Kerkvaders de Kerk ontstaan uit de zijde van Christus
toen Hij op het kruis doorstoken werd en bloed en water uit zijn zijde
kwamen. De Kerk, zo verbonden met haar Bruidegom, is het Lichaam
van Christus.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 30 september 2018

Numeri 11, 25-29
Jakobus 5, 1-6
Marcus 9, 38-48

Een profeet spreekt - en handelt - in naam van God. Dat is letterlijk wat de naam
‘profeet’ betekent: spreken namens ... In de praktijk betekent het dus dat die persoon in
woord en daad de Geest van God uitstraalt, ademt. In de Bijbelse traditie worden
mensen door God voor deze taak uitgekozen en gezalfd. Maar wat dan te doen met
mensen die officieel geen profeet zijn, maar zich in de praktijk wel als zodanig
gedragen? Voor sommigen van ons is dat een groot probleem.
In de eerste lezing en in het evangelie horen we daar een voorbeeld van.
De ene keer zijn het Eldad en Medad die afwezig waren toen de taak van Mozes werd
verdeeld over zeventig wijzen, ‘oudsten’, maar die nu toch het volk aan het helpen zijn
door verstandige adviezen te geven (en waar nodig recht te spreken, ‘juridische’
besluiten te nemen waar mensen er samen niet uitkomen). Dát is profetisch: mensen op
het goede spoor brengen. Maar Jozua, de helper en latere opvolger van Mozes, is
verontwaardigd dat zij dit doen.
En in het evangelie is het een naaste helper van Jezus, de apostel Johannes, die
bezwaar maakt als iemand in Jezus’ naam demonen uitdrijft, terwijl hij officieel geen
volgeling is.
Hoe verschillend is de reactie van Mozes en Jezus enerzijds (‘ik zou willen dat iedereen
dat deed’) en hun leerlingen anderzijds. Zouden die laatsten jaloers zijn? Bang om hun
eigen macht en positie kwijt te raken? Zichzelf tekort voelen schieten omdat zij het zelf
niet deden?
Wij zijn allemaal geroepen om profetisch te leven, om in ons leven van elke dag Gods
goede Geest uit te dragen. Wie we ook zijn, wat we ook doen, welke functie of rol we in
het leven ook hebben (of niet!), het is aan ons om te luisteren naar Gods Woord en
daarnaar te leven, in woord en daad.
pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 23 sep. 2018

25e zondag door het jaar

Wijsheid 2, 12.17-20
Jakobus 3, 16 - 4,3
Marcus 9, 30 - 37

Vandaag kondigt Jezus zijn leerlingen voor de tweede maal zijn lijden aan, en opnieuw ontmoet Hij onbegrip. Sterker nog, vandaag laten zijn leerlingen zien dat ze met heel andere dingen bezig zijn. Als wij daarnaar luisteren, loont het de moeite om te bedenken hoe dat bij ons gaat ... als leerlingen van Jezus. Alle leerlingen blijken hun eigen verwachtingen van Jezus te hebben. En Jezus neemt de tijd om zijn vrienden gaandeweg mee te nemen. Hij snapt dat zij (wij!) tijd nodig hebben en innerlijke weerstand moeten overwinnen om het lijden te accepteren. Het lijden is geen keuze van Jezus, niet voor zijn eigen leven en niet voor ons. Het boek Wijsheid leert ons dat goedheid, in Gods naam verricht, ook weerstand kan oproepen en zelfs gemeen geweld. En Jakobus waarschuwt ons voor het geweld van misschien wel het scherpste wapen: de tong. Jaloezie vernietigt alle wijsheid en creëert bitterheid, strijd en zelfs moord, letterlijk of figuurlijk.
Toch is het lijden voor Jezus geen reden om van zijn koers af te wijken en God ontrouw te worden. Daarom wees Hij vorige week Petrus stevig terecht. Deze keer krijgt Hij in eerste instantie geen reactie, en als Hij later vraagt waar ze het onderweg over hadden, schamen ze zich en blijft het stil. De schaamte is goed en terecht, want ze hadden onderweg ruzie gehad over wie de grootste was. Schaamte is goed omdat het altijd ook de kans biedt op bekering en verbetering. Jezus wil ze daarbij helpen, en zet daarom een kind in hun midden: ‘Wie een kind ontvangt, ontvangt Mij, en daarmee de Vader die Mij gezonden heeft.’ En Hij geeft al zijn leerlingen - toen en nu - een richtlijn mee om zijn leerling te zijn: ‘Wie de eerste wil zijn, moet dienaar van allen zijn.’ En zo zal Hij het ons zelf ook blijven voorleven.

pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 16 sept 2018

24e zondag door het jaar

Jesaja 50, 5-9a
Jacobus 2, 14-18
Marcus 8, 27-35

Vroeger moest je de catechismus in vraag en antwoord uit je hoofd leren
en vaak dagelijks of toch zeker twee keer per zondag naar de kerk,
zondermeer aannemen wat de Kerk zei en handelen volgens haar
voorschriften. Gehoorzaamheid aan de Kerk gold meer dan de eigen
verantwoording. Op die manier was je een goed katholiek en een goede
gelovige. Soms gemakkelijk. De weg werd voor je uitgestippeld en de
herder wist wat goed was voor zijn schapen. Geloven was het voor waar
aannemen op gezag van een hogere autoriteit.
Met het 2e Vaticaans concilie in het begin van de jaren zestig van de
vorige eeuw werden de bakens verzet. Oude zekerheden waren niet meer
zo zeker, tot ongenoegen van velen. Er kwam beweging in de Kerk. In de
oude kerkstructuur van bovenaf kwam ruimte voor de Kerk van onderaf.
De Kerk begint bij de basis, bij de gelovigen, de kerkgangers. Die maken
de Kerk tot Kerk, niet de hiërarchie van bisschoppen. Dat betekent dat
de eigen verantwoording een serieuze zaak wordt. Geloven niet als een
sleur, omdat het moet, maar als een persoonlijke keuze waar ik mij totaal
voor wil inzetten. In het geloof ben je nooit een passieve toeschouwer
maar als het goed is, ben je er altijd ten volle bij betrokken, met heel je
hart, heel je ziel en al je krachten. Geloven is een werkwoord.
Daar gaat het ook over in de brief van Jacobus. Ik kan zeggen dat ik
geloof maar dat moet zichtbaar worden in mijn werken, in mijn
levenshouding, hoe ik met mensen omga. Jezus vraagt: “Wie zeggen
de mensen dat Ik ben”.
Petrus geeft het goede antwoord: “Gij zijt de Christus”. Maar weet Petrus
wat dat inhoudt? Als Jezus vertelt dat Hij moet lijden dan wil Petrus daar
niets van weten. Leven vanuit het geloof dat Jezus ons heeft voorgeleefd,
is geen gemakkelijke weg maar wel de meest waarachtige, rechtvaardige
en liefdevolle.

J. Verhoeven
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd