Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 15 oktober 2017

28e zondag door het jaar

Jesaja 25, 6-10a
Matteüs 22, 1-14

In het O.T. zien we dat het een lange weg is geweest voordat het Jodendom de vele goden achter zich kon laten en kwam tot het belijden van de ene God. De vele goden hebben het moeten afleggen tegen een god die dé God geworden is van Israël, God die een verbond gesloten heeft met Zijn volk en het beschermt. Het Jodendom heeft een God voor zich, een privé God. Wat we deze zondag bij de profeet Jesaja lezen, is grensverleggend. De Heer richt op Zijn berg een maaltijd aan voor alle volken. God is niet alleen de God van Israël maar geworden tot de God van alle volken. Het is het visioen van de volken die opgaan naar Sion om van God te leren. In het visioen van de eindtijd, het visioen van vrede, wordt de scheiding tussen het Joodse volk en de andere volken, de heidenen, opgeheven. Een bonte stoet van mensen uit alle rassen en talen trekt op naar de berg van God. Ze worden genodigd tot het feestmaal dat God aanricht.
Bij de evangelist Matteüs horen we dat het Koninkrijk der hemelen is als een koning die voor zijn zoon een bruiloftsmaal aanrichtte. De koning stuurt zijn slaven erop uit om de gasten uit te nodigen maar die hebben het zo druk met hun eigen zaken dat ze de uitnodiging in de wind slaan. Sommige slaven worden zelfs mishandeld en gedood. Het feestmaal is gereed maar de genodigden waren het niet waard. Dan stuurt de koning zijn slaven om iedereen, goeden en slechten, uit te nodigen voor de bruiloft. God spreekt ten eerste Zijn volk aan, de gelovigen, de mensen van de Kerk maar dan moeten we wel gehoor geven aan zijn roepstem, hoorder zijn van het Woord en antwoord geven. Als dat niet gebeurd worden ook de mensen buiten de Kerk geroepen. Het was gebruikelijk dat bij de ingang van de feestzaal feestkleren werden uitgedeeld. Toch is er iemand zonder feestkleed. Wie de feestzaal binnen wil, moet wel van God het kleed van de genade willen aannemen en zich bekleden met de nieuwe mens.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 1 oktober 2017

26e zondag door het jaar

Ezechiël 18, 25-28
Matteüs 21, 28-32

Het kan nog, er is nog een kans. Dat krijgen we vandaag te horen. Want de oudsten en de opperpriesters leven vandaag de dag nog. Zij leven voort, dicht bij ons, misschien leven zij wel in ons zelf. Want tollenaars en hoeren hebben niet zoveel te verliezen. Ze hebben geen naam op te houden, eer is er niet aan te behalen. Hoe het koninkrijk Gods bij hen wortel kan schieten, is voor de mannen met naam en gezag, met traditie en kennis zoals de opperpriesters, een vraag die niet gesteld wordt. En juist gaat Jezus met de zogenaamde slechteriken om, Hij eet zelfs met hen. In hun kringen vindt Hij duidelijk gehoor zoals Matteüs, Zacheüs en Maria Magdalena over Hem spreken en getuigen. Wat hebben deze mensen toch vóór op machtige mensen met invloed en gezag? Niets dan alleen hun kennelijke mogelijkheid om hun levensstijl te veranderen, een ander leven te gaan leiden. Van leiders wordt gevraagd dat zij de weg van rechtvaardigheid gaan. Dat hun aanzien stoelt op ware wijsheid en rechtvaardigheid waardoor starheid en vooral eigen baat worden doorkruist en kritiek tot de mogelijkheden behoort. Daar liggen ook onze kansen op echte vrede. De vrede die de wereld niet kent omdat die niet vanzelfsprekend is. De echte vrede komt pas sprekend tot zijn recht als het de vrede van Jezus is. Zijn vrede opgebouwd door mensen die Hem met de mond belijden maar nog meer met de daad volgen.

J. Smiers
 

Overdenkingen 24 sept 2017

25e zondag door het jaar

Jesaja 55, 6-9

Matteüs 20, 1-16a

De landeigenaar uit de gelijkenis van Jezus leert ons met nieuwe ogen te kijken naar de huidige maatschappelijke situatie. Bij Jezus gaat het niet om de arbeiders die al aan het werk zijn, met wie de landeigenaar al overeen gekomen is: je krijgt een denarie voor het werk van deze dag en dat is het. Zij hebben hun deel al te pakken. Hij ziet uit naar hen die niets hebben. Zij krijgen overvloedig deel van de goedheid van de Heer. Zij ontvangen wat billijk is in het oog van de Meester en dat is rechtvaardig. Deze gelijkenis van Jezus houdt ons een spiegel voor waarin wij kunnen zien wat onze arbeidsverhoudingen waard zijn en stelt de werklozen in onze wereld in een ander daglicht. Als God zelf zijn gaven afstemt op hen die niets hebben, dan kunnen we daar een voorbeeld aan nemen. De arbeiders van het elfde uur hebben nog steeds recht op hun levensonderhoud. Hun arbeidskracht mag door ons niet verspild worden want zij staan nog altijd in dienst van het koninkrijk van God. Daarom is het goed geen mens af te schrijven die werkloos staat ingeschreven. Daarom ook is het niet rechtvaardig iemand een uitkering te misgunnen en scheef te kijken naar iemand die arbeidsvreugde vindt in werk dat niet betaald wordt. Telkens opnieuw is het de bedoeling mensen met vertrouwen tegemoet te treden en hen uit te nodigen mee te werken in de wijngaard van de Heer. Er is nog waarachtig veel werk te doen.


J. Smiers
 

Overdenkingen 10 september 2017

23e zondag door het jaar

Ezechiël 33, 47-9

Matteüs 18, 15-20

Deze zondag gaan de lezingen over de verantwoordelijkheid voor mijn naaste. Ben ik mijn broeders hoeder? Jazeker. God heeft de profeet Ezechiël aangesteld als een wachter over het huis van Israël. Hij moet de goddeloze, de mens die zich afkeert van God, waarschuwen. Als de goddeloze zich niet bekeert, zal hij sterven. Maar als de profeet de goddeloze niet waarschuwt dan zal de profeet ook sterven. Als de profeet waarschuwt maar naar zijn spreken wordt niet geluisterd dan gaat de profeet vrij uit en bewaart hij zijn leven.
De evangelist Matteüs zegt ons dat wij onze broeder, onze naaste moeten aanspreken als hij zondigt. Iemand aanspreken op zijn fouten zal beter gaan naarmate wij iemand beter kennen. Niet een vermanend spreken vanuit de hoogte maar een dialoog tussen gelijkwaardige gesprekspartners waarin de ander zal inzien dat hij verkeerd gehandeld heeft. We spreken een ander op zijn fouten aan omdat we bezorgd zijn voor de ander. Wil de ander niet luisteren en niet toegeven dat hij fout gedaan heeft dan is het goed om het gesprek te hervatten met twee of drie getuigen erbij. In het boek Deuteronomium staat immers dat het getuigenis van twee of drie getuigen rechtsgeldig is. Lukt dat niet, dan pas moet het besproken worden in de gemeente, gemeenschap. Omdat onze broeder die zondigt tot de gemeente behoort, heeft de gemeente, de (kerkelijke) gemeenschap, een verantwoording voor het verdwaalde schaap. Als hij ook niet naar de gemeenschap waartoe hij behoort, luistert, dan heeft de gemeenschap alles gedaan waartoe zij bij machte was. Dan zal de zondaar beschouwd worden als een heiden of een tollenaar, dat wil zeggen als iemand die buiten de gelovige gemeenschap staat. Iemand buiten de gemeenschap stellen, dat klinkt hard. Maar als er in een kleine gemeenschap sprake is van zonde, misstappen, onrecht, verbroken relaties dan legt dat een grote druk op een gemeenschap. Wat wij binden, zal in de hemel - dit wil zeggen voor God - gebonden zijn. Ons handelen moet zo zijn dat God ermee kan instemmen. De zondaar die zich bekeert, zal de vergeving en verzoening van de gemeenschap mogen ervaren.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 3 september 2017

22e zondag door het jaar

Jeremia 22, 7-9
Matteüs 16, 21-27

Petrus is de man waarvoor Jezus een zwak had. Met hem wilde Hij wel in zee, op hem durfde Hij wel te bouwen. Dat blijkt uit de passage: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.
En dan de toch felle reactie van Jezus toen Hij aan zijn leerlingen zijn lijden aankondigde. Petrus antwoordde met bestraffende woorden dat God dat zeker niet zal toelaten. Kwaad keerde Jezus zich om en zei tegen Petrus: “Ga weg achter Mij, satan, gij denkt niet aan de dingen Gods maar aan die van de mensen.” Ik zal zelf niet zo gauw het woord ‘satan’ in de mond nemen, Jezus doet dat wel. Het is goed om te weten dat in die tijd het negatieve als een aparte kracht werd voorgesteld, als een boze geest. Satan! Een demonische kracht in Petrus. Een kracht die Jezus tracht af te houden van dat wat voor Hem voor ogen staat. Een tegenkracht die Jezus diepste motivatie in twijfel trekt. “Gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet wat God wil.” Door zijn gedrag bewijst Petrus Jezus een slechte dienst. Hij had zich de toekomst met Jezus heel anders voorgesteld, geen lijdensweg maar een zegetocht. En toch werd de lijdensweg een zegetocht. Achteraf.

J. Smiers
 

Overdenkingen 30 juli 2017

17e zondag door het jaar

1 Koningen 3, 5-7-12
Matteüs 13, 44-52

In het evangelie is er sprake van een verborgen schat. Een knecht van een herenboer is aan het ploegen en opeens vindt hij in de grond een pot met gouden munten. In die tijd stopte men vaak geld in de grond als men op reis ging of bang was voor plundering in tijden van oorlog of onrust. Als dan de eigenaar van het geld op het slagveld was achter gebleven, wist niemand waar hij zijn geld begraven had. De schat bleef toevertrouwd aan de aarde totdat er een gelukkige vinder kwam. Een prachtig verhaal! Maar om de schat te vinden hoef je de deur niet uit. Hij bevindt zich in je eigen huis. De schat die zichtbaar wordt waar mensen elkaar in liefde nabij zijn. De schat waar we in ons leven naar op zoek zijn, is niet iets maar iemand. Iemand die je in tijden van vreugde en verdriet lief heeft. Is dan zo’n schat niet de moeite waard om daar alles voor prijs te geven?

J.Smiers
 

Overdenking 16 juli 2017

15e zondag door het jaar

Jesaja 55, 10-11
Matteüs 13, 1-23

De leerlingen van Jezus vragen waarom Hij in gelijkenissen spreekt. Gelijkenis is een ander woord voor vergelijking. Als ik aan iemand iets moet uitleggen wat hij niet kent, vergelijk ik het met iets wat hij wel kent. Zo is het ook in de Bijbel. Wij hebben geen flauw benul wie God is en het Koninkrijk der hemelen. Om iets daarvan aan te duiden spreken de schrijvers van de Bijbel over God als een vader, als een herder, als een rechtvaardig rechter die opkomt voor de armen, als een bevrijder. Jezus neemt voorbeelden uit het dagelijks leven, de zaaier, de oogst, de goede herder, de vissers. Jezus spreekt, maar willen wij luisteren, openstaan voor zijn woord, moeite doen om zijn vergelijkingen te begrijpen en dichter te komen bij God en zijn Rijk, als zaad dat in vruchtbare grond valt en rijkelijk vrucht draagt.

J.Verhoeven
 

Overdenkingen 9 juli 2017

Zacharias 9, 9-10
Matteüs 11, 5-30

In de evangelielezing hoort u Jezus zeggen: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijn en onder lasten gebukt gaan. Ik zal u rust en verlichting schenken”. Direct daarop voegt Hij er aan toe: ”Neemt Mijn juk op en volg Mij”. U weet vast wel wat een juk is, daarom hoor ik u al denken: waarom zal ik nog meer lasten op mijn schouders nemen? Dit leven geeft mij al genoeg lasten en dan nog de zorgen voor mijn gezin. Welk mens is dan toch nog bereidt om meer lasten op zijn schouders te nemen? De tijdgenoten van Jezus wisten heel goed wat Jezus met dat juk bedoelde. De wetten waaronder het volk gebukt ging, waren zware en bijna ondraaglijke lasten. De wetten die bedoeld waren om het leven wat lichter en overzichtelijker te maken, waren door de Farizeeën omgebogen tot ondraaglijke lasten. Velen van het volk dreigden er aan onderdoor te gaan. En dan zegt Jezus; “Ik zal uw lasten dragen en verlichting brengen”.


J. Smiers
 

Overdenkingen 25 juni 2017

12e zondag door het jaar

Jeremia 20, 10-1 Mattheüs 10, 26-33

Jeremia heeft als profeet de zware taak het Joodse volk het oordeel aan te zeggen en wel een oordeel dat niet meer afgewend kan worden. Naar profeten wordt nooit geluisterd en zeker niet naar een onheilsprofeet. De mensen bespotten en honen hem. We denken aan de woorden van Psalm 22: ”gehoond door de mensen, veracht door de buurt. Ik ben bespottelijk in aller ogen, ieder lacht me hoofdschuddend uit”. Jeremia staat op het punt dat hij niet meer wil profeteren. “Ik wil aan Hem (God) niet denken en in zijn naam niet meer spreken”. Maar dan wordt het binnenin Jeremia als een brandend vuur. Hij probeert te zwijgen maar het lukt niet. Jeremia kan niet zwijgen omdat het woord van God dat hij moet verkondigen sterker is. “Gij hebt mij overreed, Heer, en ik heb mij laten overreden; Gij zijt mij te sterk geweest”. God trekt Jeremia over zijn dode punt van twijfel heen en Jeremia belijdt dat God is als een geweldige held. De vervolgers van de profeet zullen struikelen en tot niets in staat zijn. God staat garant voor de gerechtigheid.
Hoe actueel. We horen van mensen die het onrecht niet kunnen aanzien en niet kunnen zwijgen omwille van de gerechtigheid en dit moeten bekopen met gevangenisstraf, marteling, ja zelfs de dood. Mensen die niet meer terug kunnen keren naar hun land omdat ze kritiek hebben op de regering. Martin Luther King, bisschop Romero en zoveel anderen die niet konden en niet wilden zwijgen.
In de evangelielezing van deze zondag horen we dat Jezus zijn discipelen uitzendt. In tegenstelling tot Jeremia verkondigen ze de blijde boodschap dat het Koninkrijk der hemelen nabij is. “Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft boze geesten uit.” Tekenen van het Koninkrijk der hemelen dat nabij is. Maar ook met deze boodschap van heil zullen de discipelen op weerstand stuiten en voor gesloten deuren staan. Ondanks alles moeten zij en wij niet bevreesd zijn maar uitkomen voor ons geloof. Als wij partij kiezen voor Jezus dan zal Jezus ook voor ons partij kiezen bij zijn Vader.

Jan Verhoeven
 

Overdenkingen 18 juni 2017

Deutronomium 8, 2-3 en 14b-16a
Johannes 6, 51-58

Deze zondag vieren we het feest van afgelopen donderdag, Sacramentsdag. Donderdag want we gaan terug naar de avond van Witte donderdag als Jezus met zijn vrienden het Pascha viert. De avond van de herinnering, van de verhalen die op deze avond van vader op zoon worden doorverteld, over de slavernij in Egypte en de uittocht. Verhalen van de heilsdaden van God die nooit vergeten mogen worden, van de ene God die bevrijdt en met zijn volk meetrekt. Het is de avond van het terugzien, van de herinnering maar ook van de overlevering, het doorgeven. Jezus viert met zijn vrienden het eeuwenoude Pascha maar voegt aan de traditie een element toe. De symbolen van brood en wijn betrekt Hij op zichzelf. “Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis”. Niet alleen de herinnering aan de God van Israël die bevrijdt maar ook de herinnering aan Jezus die mensen bevrijd heeft, verlost van hun drukkende verleden. De leerlingen van Jezus zien zijn opstanding vanuit de verhalen van Pascha. Zoals God zijn volk uit de dood gered heeft, zo laat Hij ook Jezus verrijzen uit de dood. Het woord Pesach heeft te maken met het overspringen van de dood. De engel van de dood die in Egypte aan de huizen van de Joden voorbij gaat.
Op die grote avond stelt Jezus het sacrament van de Eucharistie in. Bij een sacrament zijn drie aspecten van belang.
Ten eerste de herinnering. We denken terug aan de avond van de uittocht uit Egypte, aan wat God voor zijn volk gedaan heeft en aan Jezus’ leven. Ten tweede wordt door symbolen de herinnering present gesteld. Op de avond van het Pascha wordt de uittocht opnieuw beleefd met het ongezuurde brood en het bittere kruid.. In de tekenen van brood en wijn denken we niet alleen aan Jezus maar is Hij ook in ons midden. Ten derde bewerkt het ontvangen van het sacrament iets in ons, namelijk het geloof dat Hij ook in toekomst met ons zal zijn. De eenheid met Jezus die wij in het sacrament ontvangen, moeten wij uitdragen in de wereld.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 11 juni 2017

Heilige Drie-eenheid

Exodus 34, 4b-6-8-9
Johannes 3, 16-18

Het slotfeest van de Drievuldigheid bedoelde een soort dankbetuiging aan God te zijn in wie dat alles zijn oorsprong vond. Zo staat het vandaag ook in het openingsgebed van de liturgie. God onze Vader, gij hebt het woord van de waarheid en de Geest in de wereld gezonden om aan de mensen het verheven mysterie van uw Godheid te openbaren. Het mysterie van uw Godheid zijn woorden om bij stil te staan. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld op de manier van de theologen die al eeuwen lang proberen te begrijpen wat het betekent als we ‘God drie in één’ zeggen. Of op de manier van de historici, die zich steeds weer afvragen: ‘Wat bedoelden de concilievaders eeuwen terug eigenlijk te zeggen’?
Het zijn slechts varianten op de vraag die iedere ware gelovige zich doet stellen als hij of zij bid: “God, Vader, Zoon en H. Geest”. Jezus omschrijft de relatie tot God als die van de Vader en de Zoon. Hij nodigt ons uit om met Hem tot God, ‘Onze Vader’ te zeggen. Jezus belooft dat als Hij bij de Vader is, hij op een heel bijzondere wijze de Geest zal zenden. Hij nodigt ons uit om vanuit die Geest van God te leven.

J. Smiers
 

Overdenkingen 28 mei 2017

7e zondag van Pasen

Handelingen 1, 12-14
Johannes 17, 1-11a

We lezen deze zondag uit het evangelie van Johannes het begin van het zogenaamde
Hogepriesterlijk gebed. Het zijn de laatste woorden van Jezus voor zijn
gevangenneming. Jezus vraagt aan de Vader dat Hij zijn Zoon verheerlijkt opdat de
Zoon Hem verheerlijkt. Het uur is gekomen. Dat wil zeggen de tijd van het lijden, en toch
is er sprake van verheerlijking. De taak van Jezus is de heerlijkheid, de glorie van God
aan de mensen te openbaren, de liefde van God voor de mensen. In het evangelie van
Johannes is de paradox van het geloof dat de openbaring van die verheerlijking haar
voltooiing bereikt op het kruis. God heeft aan Jezus de macht gegeven om aan alles wat
leeft het eeuwig leven te schenken. Als wij God en Jezus kennen, dan hebben we
eeuwig leven. Maar wat betekent hier ‘kennen’? In de Bijbel betekent ‘kennen’
liefhebben, kennen van aangezicht tot aangezicht. Wij kunnen God kennen zoals Hij zich
in de menselijke maat geopenbaard heeft in Jezus. Meer is voor ons niet te bevatten,
ontoegankelijk. Mozes mag het aangezicht van God niet zien en ook Elia ziet God in het
voorbijgaan.
Wat betekent ‘eeuwig’? Dat is niet iets wat maar oneindig doorgaat. Wij mensen kunnen
niet anders dan denken in tijd en ruimte. In verleden, heden en toekomst, gisteren,
vandaag en morgen. We spreken van ruimte, dit en dat, hier en daar en om van hier naar
daar te komen is tijd nodig. Bij God is alles ineen: Hij kent geen ruimte en tijd. Hij is voor
alle tijden en heeft geen begin en einde. Hij is alles in allen. Wat in God één is,
ongeschapen, heeft Hij in de schepping uiteen gelegd. Scheppen is scheiden: licht en
donker, dag en nacht. Wij kunnen alleen denken in scheidingen, tegenstellingen, licht en
donker, goed en kwaad, dood en leven. Als wij God liefhebben, in onze beste momenten
bij God zijn, dan worden we hier in dit leven al boven alle scheidingen uitgetild, en
mogen we deelhebben aan de eenheid van God. Dat is eeuwig leven: dat onze grote
momenten van liefde bewaard zijn bij God.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 21 mei 2017

6 zondag van pasen

Handelingen 8, 5-8, 14-17
Johannes 14, 15-21

In de laatste hoofdstukken van het evangelie van Johannes, in de afscheidswoorden van Jezus en het zogenaamde Hogepriesterlijk gebed is de liefde het grote thema. Zo ook in de lezing van deze zondag. Typisch voor Johannes is de driehoeksverhouding tussen God de Vader, Jezus en de volgelingen van Jezus, de gelovigen. God de Vader heeft Jezus lief en die liefde is wederkerig. De liefde van de Vader wordt zichtbaar en tastbaar in de liefde en trouw van Jezus aan zijn Vader, een onlosmakelijke band. Van die liefde getuigt Jezus in zijn leven in woord en daad en openbaart aan zijn volgelingen de liefde van God voor de mensen. Jezus is de bemiddelaar. Wat hij van zijn Vader ontvangt, geeft hij door aan de mensen en wijst ons zo de weg naar de Vader. Toch is er een voorwaarde. Jezus openbaart zich niet zomaar aan iedereen. Johannes spreekt over de tegenstelling tussen de wereld en de gelovige. Bij Johannes is de wereld de houding van mensen die leven in oppervlakkigheid en onwaarachtigheid en zich afsluiten voor de boodschap van Jezus, voor licht en zingeving. Zij worden bedoeld met de duisternis die het licht niet heeft aanvaard.
We kunnen iemand slechts op diepere wijze kennen als we ons inleven in de ander, meeleven, een stuk van de levensweg samen gaan. Zo is het ook met Jezus. Hij zal zich alleen openbaren aan hen die Hem willen volgen en hun levensweg met Hem willen delen, op weg willen gaan met Hem. Dat zijn gelovigen die leven naar zijn geboden en Hem liefhebben. Maar Jezus zal niet meer onder ons zijn en daarom bidt Hij tot de Vader ons de Trooster te zenden, de Parakleet, voorspreker, advocaat die ons helpt en bijstaat. Johannes spreekt over de Geest der waarheid die de wereld niet kan ontvangen. Waarheid in de betekenis van waarachtigheid, echtheid. Een leven van waarachtigheid en diepgang in tegenstelling tot een oppervlakkig leven van vluchtigheid, schijn en leugen. De kracht van die Geest heeft de Kerk staande gehouden door alle eeuwen heen en heeft onze soms zo kleine vlam van het geloof opnieuw aangeblazen.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 14 mei 2017

5e zondag van pasen

Handelingen 6, 1-7
Johannes 14, 1-12

De afscheidsrede van Jezus, zijn laatste toespraak voor zijn heengaan, is in eerste instantie tot de leerlingen van toen gericht maar over hun hoofden heen ook voor ons bestemd. ‘Als jullie Mij hebben leren kennen, zul je ook mijn Vader kennen.’ Zo sprekend lijken Zij op elkaar. Zij zijn in elkaar als één. Jezus is in de Vader en de Vader is in Hem. De Vader treedt in en door Jezus onze wereld binnen. In Jezus is Hij te zien, te horen en aan te raken. Hij openbaart zich in Jezus. Hij spreekt door Hem en werkt door Hem. De Heilige, de Onnoembare is in Hem heel dichtbij gekomen. Hij is onder ons: dat is de diepste betekenis van de menswording. Het woord is vlees geworden, het is onder ons komen wonen. Wie Mij ziet, ziet de Vader. Eén van Jezus’ namen is Emmanuel en dat wil zeggen: ‘God met ons’. Het is diepzinnig maar toch heel eenvoudig. ‘Wie mij liefheeft, zal mijn woorden onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben. Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem houden.’ Jezus voert naar de Vader. Meegaan met Hem is opgang naar God, ingaan in God. In Mij, in U, in de Vader, het wordt allemaal in één adem genoemd.

J. Smiers
 

Overdenking 7 mei 2017

4e zondag van pasen

Handelingen 2, 14a. 36-41
Johannes 10. 1-10

In het evangelie naar Johannes zegt Jezus: 'Ik geef mijn leven voor mijn schapen.' Met hart en ziel zorg hebben voor de medemens. De zorg waarin je je zelf geeft en daarmee ook zelf het leven vindt. Als je door de deur, die Jezus is, zijn Vaders huis binnen gaat, dan geldt de wet van de sterkste niet meer, niet de wet van ieder voor zich. Bij Jezus binnen geldt de zorg om de zwakken, het leven waarin iedereen tot zijn recht komt. Die wijze van leven neem je mee naar buiten als je door de deur, die Jezus is, zijn Vaders huis uitgaat. Ook daar buiten leef je dan met hart en ziel voor de medemens en voor al het levende. Dat is te zeggen, je streeft ernaar. Daarom heb je het telkens weer nodig om door de deur Jezus zijn Vaders huis binnen te gaan en zijn woorden in je op te nemen: ‘heb met hart en ziel zorg voor mensen en voor al het levende’. Zo proberen wij, ieder op zijn of haar wijze, bij te dragen aan waarachtig leven. Jezus: “Ik ben de deur van mijn schapen. Als iemand door Mij binnen gaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed.”


J. Smiers
 

Overdenkingen 30 april 2017

3e zondag van Pasen

Handelingen 2, 14. 22-32 Lucas 24, 13-35

Tussen de beide lezingen van deze zondag ligt een wereld van verschil. Het is het verschil tussen ongeloof en geloof. De lezingen laten zien wat er met een mens kan gebeuren als het mysterie van Pasen een ervaring wordt, een levende werkelijkheid. De vrouwen vertellen aan de apostelen hun belevenissen van het lege graf en wat de mannen gezegd hebben over de opstanding. En deze woorden schenen voor de apostelen zotteklap en zij geloofden ze niet. We zien dat ook voor de apostelen alles niet direct duidelijk is en geloofd kan worden. Ze hebben hun twijfel en dat zouden wij ook hebben. Een geloof kan niet alleen gebouwd zijn op horen zeggen. Voor een echt geloof is meer nodig, een persoonlijke ervaring, geraakt, aangeraakt worden. Dat gebeurt in het verhaal van de mannen op weg naar Emmaüs. Ontgoocheld door alles wat er gebeurd is met Jezus op wie zij al hun hoop hadden gevestigd, vertellen zij hun verhaal aan de man die met hen meeloopt en zich voor onwetend houdt. Ook zij hebben van horen zeggen, ‘het verhaal gaat’. Dan zegt de onbekende: “O onverstandige en trage van hart, dat gij niet alles gelooft wat de profeten gesproken hebben.” Hij legt hen de Schriften uit. Ze komen bij Emmaüs. Het loopt tegen de avond en ze dringen erop aan dat de onbekende bij hen blijft. Als hij hen bij het avondmaal het brood reikt, herkennen ze Hem. Dan zien zij ineens met andere ogen en valt alles op zijn plaats en begrijpen zij wat Jezus gezegd heeft. Geloven is zien met andere ogen, met een andere kijk op de werkelijkheid, met een ander perspectief. Door het geloof worden onze ogen geopend zoals de ogen van de Emmaüsgangers. In de eerste lezing uit Handelingen heeft de twijfel en het ongeloof van de apostelen plaats gemaakt voor een krachtig geloof. Wat is er gebeurd? De apostelen worden op Pinksteren bezield door de Heilige Geest en gaan de straat op om te verkondigen. Petrus getuigt van de opstanding van Christus. Bange en twijfelende leerlingen worden door het geloof grondleggers van de Kerk.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 23 april 2017

Beloken pasen

Handelingen 2, 42-47
Johannes 20, 19-31

In het evangelie van Johannes wordt de band tussen Jezus en zijn Vader op bijzondere wijze benadrukt. Wat Jezus doet, doet hij uit kracht van zijn Vader. Bij Johannes is de opdracht van Jezus in deze wereld de heerlijkheid van God te openbaren, in de duisternis van deze wereld het licht van God te laten schijnen. De heerlijkheid van God is zijn liefde. Van die liefde heeft Jezus in zijn leven getuigd tot het uiterste toe. De laatste hoofdstukken van het evangelie van Johannes gaan dan ook over de liefde. Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad: blijft in mijn liefde. Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt. De openbaring van de heerlijkheid, de liefde van God krijgt voor de evangelist Johannes zijn voltooiing op het kruis. De weg van het kruis is de weg van het licht. De laatst woorden van Jezus zijn: “ het is volbracht”. Dat betekent niet alleen dat het lijden volbracht is maar veel meer dat de taak van Jezus, de heerlijkheid van God te openbaren, voltooid is, volbracht. Jezus heeft de liefde van God aan ons geopenbaard tot in de dood. Alles is gezegd, alles is gedaan. Als het evangelie van Johannes geëindigd was met de laatste woorden van Jezus, dan hadden we in wezen niets gemist. Jezus heeft immers gezegd: ik ben het leven, de opstanding. Wie in mij gelooft, zal leven ook al is hij gestorven. Maar omdat wij dat nog niet kunnen geloven zijn er bij Johannes de verhalen van de opstanding en de verschijning van Jezus als een soort toegift.
Op de avond van de verrijzenis verschijnt Jezus aan zijn leerlingen en ontvangen zij de Heilige Geest. Bij Johannes vallen Pasen en Pinksteren samen. Alleen door de kracht en de bezieling van de Heilige Geest kunnen we geloven, wordt ons duistere verstand verlicht en worden de woorden van Jezus voor ons duidelijk, worden werkelijkheid voor ons. Eerst zien en dan geloven? Nee. We kunnen de verrezen Christus alleen zien, de heerlijkheid van God ervaren als we zien met de ogen van het geloof.

Jan Verhoeven
 

Overdenkingen 9 april 2017

Matteüs 21, 1-11
Jesaja 50, 4-7
Matteüs 26, 14 - 27, 66

Met: 'Gedenk o mens dat je stof bent', begonnen we de vastentijd. Dat betekent niet ‘Je bent waardeloos’. Neen, je bent juist hard nodig op de plaats waar je staat. Weet allen wie je bent? Geen held, geen superman maar een geroepene. Over Jezus zegt Paulus: ‘Hij was rechtens God gelijk maar heeft zich ontdaan van alle heersersdrang. Meer nog, Hij werd ons aller slaaf vanuit een nieuwe solidariteit.’ Nu kan het licht doorbreken in deze schijnbaar sterke maar o zo wankele wereld. De nieuwe koning van Jeruzalem ontvangen betekent waakzaam zijn, de deuren open houden voor zijn vrede en doen wat er gedaan moet worden. De laatste bladzijde van Gods geschiedenis zal pas geschreven zijn als mensen zich menselijk gaan gedragen. Als iemand beweert dat God niet bestaat, zeg dan ‘en toch sta ik naast je.’ Dan kan de koning van Jeruzalem ons aan zijn rechterhand neerzetten en zeggen: ‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat in de gevangenis en jullie lieten me niet in de steek. Ik was een vreemdeling en jullie huisvestten mij, ik was naakt en jullie kleedden mij.’ We gaan de Goede Week vieren en verder bouwen aan zijn wereld.
De koning van Jeruzalem zal tot ons zeggen: ‘Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is.’
J. Smiers
 

Overdenking 2 april 2017

5e zondag Veertigdagentijd

Zondag 20 november 2016 34e zondag door het jaar

Ezechiël 37, 12-14
Johannes 11, 1-45

In dit levensverhaal wordt de dood de mond gesnoerd. De dood, de kapotmaker, de allesvernietiger wordt overwonnen. In de naam van de God van de levenden. Want dat wil het verhaal eigenlijk vertellen. De opwekking van Lazarus is niet een super stunt van Jezus en ook geen vriendjespolitiek. Want waarom Zijn vriend wel en niet de mijne? Neen, het machtige optreden van Jezus moet je zien als de overmacht van God op de dood. Jezus haalt als het ware de dag van de opstanding naar voren toe. Het is een voorproefje van Pasen, het feest van Jezus eigen overwinning op de dood. Overal om ons heen heerst de dood. Maar ook zijn er de Maria’s en de Marta’s. Zij leggen het hoofd niet in de schoot maar komen in opstand tegen de dood en roepen daarbij vrienden te hulp.
Kom naar buiten en leef! Recht je schouders en sta op! Maak een eind aan de onderdrukking van onrecht en valsheid. Want het evangelie, het goede nieuws van vandaag vertelt dat de dood niet het laatste woord heeft. Als volgelingen van Jezus zijn ook wij geroepen de dood te keren en het leven terug te brengen in de mensen. Zonder rusten moeten wij zoeken naar het goede, het trouwe en het lieve in de mensen om ons heen en in ons zelf. Opdat het leven in ons terugkeert en wij opnieuw tot leven komen zoals de bomen en struiken na een donkere en koude winter. Midden in de dood is Hij, het leven.


J. Smiers
 

Overdenkingen 26 maart 2017

4e zondag veertigdagentijd

1 Samuël 16, 1b, 6-7, 10-13a
Johannes 9, 1-41

We zien iemand voor de eerste keer en vaak hebben we meteen onze mening of oordeel klaar. We kijken naar het uiterlijk en trekken conclusies over iemands leefwijze en karakter. Daar gaat het ondermeer over in de beide lezingen van deze zondag. God heeft Saul, de eerste koning van Israël, verworpen en geeft aan de profeet Samuël de opdracht naar Bethlehem te gaan om daar een van de zonen van Isaï tot nieuwe koning te zalven. Samuël ziet de zonen en denkt dat Eliab wel degene zal zijn die hij moet zalven tot koning. Maar God zegt tegen Samuël: let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor de ogen is maar de Heer ziet naar het hart. Zeven zonen van Isaï gaan aan Samuël voorbij en geen van hen heeft de Heer verkoren. Zijn dit alle jongens, vraagt Samuël. Nee, de jongste weidt de schapen. Hij wordt gehaald en God zegt tot Samuël: sta op, zalf hem want deze is het.
In het evangelie lezen we dat Jezus een blinde ziet. De discipelen vragen: wie heeft er gezondigd, deze man of zijn ouders dat hij blind geboren is. Een vraag die niet zo verbazingwekkend is want in het O.T. hebben ziekte of een gebrek altijd te maken met zonde. Jezus antwoordt dat niemand gezondigd heeft maar de werken van God moeten in deze blinde openbaar worden. In het evangelie van Johannes is dit de taak van Jezus de werken van God, de heerlijkheid van God openbaar te maken. In de ontmoeting met mensen openbaart Jezus zich en daarmee God die hem gezonden heeft. Aan de Samaritaanse vrouw als het levend water, aan de blinde die hij de ogen opent als het licht der wereld en aan de zuster van de gestorven Lazarus als het leven, de opstanding. Door Jezus worden mensen verlost van hun verleden, weer in de gemeenschap opgenomen en beginnen een nieuw leven. “Waar Hij voorbij ging, werd het licht”.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 19 maart 2017

34e zondag door het jaar

Exodus 17, 3-7
Johannes 4, 5-42

Het Joodse volk trekt door de woestijn van pleisterplaats tot pleisterplaats. Als het zijn kamp opslaat in Rafidim is er geen water en het volk mort tegen Mozes. Dat is niet de eerste keer. Het volk morde tegen Mozes in Mara toen het water bitter was en het morde toen het honger had. En steeds hetzelfde verwijt tegen Mozes: waarom heb je ons uit Egypte weggeleid. Waren we maar door de hand van de Heer in Egypte gestorven toen we bij de vleespotten zaten en volop brood aten. Dat is beter dan in de woestijn om te komen van honger en dorst. Het volk stelt weinig vertrouwen in God. God heeft het bevrijd uit de slavernij van Egypte en droogvoets geleid door de Schelfzee. God heeft het bittere water zoet gemaakt en brood, manna uit de hemel gegeven. Maar toch steeds dat ongeloof in de vraag: “is de Heer in ons midden of niet?” Zou de God van de aartsvaders, de God van het verbond zijn volk laten sterven in de woestijn?
Wij mensen willen altijd zekerheid en durven het oude niet los te laten. De zekerheid van Egypte waar je volop te eten hebt. Je bent dan wel onvrij maar er wordt voor je gezorgd en je hoeft zelf geen verantwoording te nemen. Een sterke man die alles regelt is wel gemakkelijk maar ook gevaarlijk. Uit die slaap van de zekerheid en zelfgenoegzaamheid wekt God ons om het avontuur met Hem aan te gaan. Abram wordt uit de zekerheid van zijn bestaan weggeroepen om op weg te gaan naar een onbekend land dat God hem wijzen zal. Uit een zeker bestaan trekt hij weg naar het onbekende. Geloven is het oude vertrouwde durven loslaten, opstaan en op weg gaan een onbekende toekomst tegemoet met het vertrouwen dat God ons leiden zal.
In het evangelie van Johannes voert Jezus lange, diepzinnige gesprekken met mensen om de waarheid in hen openbaar te maken en ze licht te maken. Vandaag het gesprek met de Samaritaanse vrouw. Jezus bevrijdt haar van haar drukkende verleden. Ze mag loslaten en drinken van het levend water.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 12 maart 2017

4e zondag door het jaar

Genesis 12, 1-4a
Matteüs 17, 1-9

Aanvaarding van jezelf, verzoening met je leven zoals dat loopt, is een proces waar ook wij mee te maken krijgen. Bijvoorbeeld bij ziekte of werkloosheid. Ieder mens is in mindere of meerdere mate invalide. Oh je weet allang wat je niet kunt en wat je mankeert. Maar tussen weten en aanvaarden ligt vaak een lange pijnlijke weg. Soms zou je het wel uit willen schreeuwen. Een zware klim. Pas wanneer je onvermogen, je onvolmaaktheid, je gebrokenheid en eindigheid een deel gaat worden van jezelf en je ermee leert leven, dan pas kun je helen, vind je de rust die je de kracht geeft jouw weg te gaan. Je plaatst je opnieuw in het leven met een nieuw perspectief. Je maakt een nieuwe start. Er is moed voor nodig om die berg te beklimmen, de stilte toe te laten, jezelf in je eindigheid en onvolmaaktheid te zien. Het moeilijke proces van aanvaarding heeft een helende rol. Helend, daar zit het woord heil in, iets goddelijks. Helend, heel, dat wil zeggen minder verdeeld of verscheurd, opgenomen in het alles omvattende, het zingevende in God die ook de Vader en Schepper wordt genoemd.


J. Smiers
 

Overdenkingen 5 maart 2017

1e zondag Veertigdagentijd

Genesis 2, 7-9,3, 1-7
Matteüs 4, 1-11


Wat kan ik vangen? Wat kan ik eraan verdienen? De vastentijd helpt ons om samen na te denken over al die vluchtwegen in ons leven, al die bekoringen. Van bekoring naar bekering. Het scheelt maar één letter maar daar draait het precies om. Teruggaan naar de grondvragen van je bestaan. Weten dat het leven meer is dan het genot van het kopen en het steeds meer willen hebben. Het leven, zegt Jezus, is meer dan brood alleen. Waarom kijken wij mensen altijd naar het ongewone, naar het niet alledaagse en weten wij de gewone dingen in het leven nauwelijks te waarderen. Hongersnood hoeft geen toekomst te hebben als jullie het brood maar delen. Geniet van het bestaan. Verberg je als mens niet langer achter allerlei theorieën en grote woorden. Zijn jullie dan echt alleen maar geïnteresseerd in wat deze wereld opbrengt? Zij wilden zelf hun toekomst bepalen en zich niet laten leiden door God. Dat is de bekoring van alle tijden! Bekeren, je omkeren, je vluchtwegen verlaten. Je door Gods woord laten arresteren, je hoofd buigen, schuld bekennen, uithuilen en opnieuw beginnen. Ik wens u een goede voorbereiding op het Paasfeest toe.


J. Smiers
 

Overdenkingen 26 februari 2017

Jesaja 49, 14-15
Matteüs 6, 24-34

Maakt u niet bezorgd. De evangelist Matteüs heeft makkelijk praten. Natuurlijk hebben we zorgen. We moeten zorgen dat we in ons levensonderhoud kunnen voorzien, dat de vaste lasten, eten en kleding betaald worden. In deze tijd is dat voor heel veel mensen een terechte zorg. Wat anders is het als mensen die goed kunnen rondkomen altijd bezig zijn met geld, het ene hebben en weer reikhalzend uitzien naar iets anders. Aan het willen hebben komt nooit een einde. De behoefte raakt nooit bevredigd en een innerlijke onrust maakt zich van deze mensen meester. Dat gebeurt als je kiest voor de Mammon, voor het geld, als je geld en materieel bezit voor jezelf de hoogste waarden zijn. Je zult bezorgd zijn om het te behouden en niet te verliezen en zorgen dat je nog meer krijgt.
Er kan ook voor God gekozen worden. Dan is niet meer de hoogste waarde het materiële bezit maar iets wat daar bovenuit gaat. Matteüs spreekt over het zoeken naar Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid. Doelstellingen en idealen die verder reiken dan het puur materiële. Hoe kan ik aan mijn leven een zinvolle invulling geven. Hoe kan ik mij ontplooien als mens in de diepste zin van het woord. Niet alleen door de bezorgdheid voor mijzelf maar door de zorg voor de ander in de vorm van medeleven, hulp en verantwoordelijkheid. Een medemens tot zijn recht laten komen door hem of haar vertrouwen te schenken, hoop te geven, liefde. De Franse filosoof Gabriel Marcel zei eens: de ander is mijn toekomst. Als ik zo met de ander omga dan zal ikzelf innerlijk een rijker mens worden. Dan heb ik mij bewust of onbewust gericht op het hoogste einddoel, God. Dan zal ik ervaren dat God die mij naar zich toetrekt, mij ook draagt als mijn diepste grond. Ja, dan maakt de onrust plaats voor de rust van het geloof. Natuurlijk moeten we vooruit kijken en handelen maar wel wetend dat we niet alles kunnen regelen en overzien. Geloven betekent je overgeven aan God, vertrouwen dat het met Zijn hulp en zorg voor ons goed zal komen.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 19 februari 2017

Leviticus 19, 1-2 en 17-18
Mattheüs 5, 38-48

God spreekt via Mozes tot het Joodse volk: “Heilig zult gij zijn want Ik, de Here uw God, ben heilig. Bij heiligen denken we aan de grote namen van de geloofsgetuigen door de eeuwen heen zoals we ze kennen uit de litanie van Allerheiligen. We stellen ons perfecte mensen voor bij wie wij niet in de schaduw kunnen staan. Heiligen, mystici, die teruggetrokken in stille oorden leefden, verzonken in contemplatie. Zeker, van tijd tot tijd deden ze dat om zich spiritueel op te laden zoals Jezus zich af en toe terugtrok naar een stille plaats om te bidden met zijn Vader. Maar ze wisten dat hun taak in de wereld lag, armen helpen, zieken verzorgen, mensen met wijze raad en daad terzijde staan. Mensen zoals u en ik die op bijzondere wijze gehoor hebben gegeven aan hun roeping. Franciscus van Assisi is niet heilig omdat hij met vogels sprak maar omdat hij een melaatse kuste. Hij zag dat de rijkdom van de Kerk die niet strookte met het armoede- ideaal van Jezus en werd solidair met de armen.
Heilig betekent apart gesteld, bestemd voor een bijzondere opdracht. Het Joodse volk moet heilig zijn. Het Joodse volk mag niet zijn als de andere volken, de heidenen. Het heeft de opdracht een moreel voorbeeld te zijn voor de andere volken. In het O.T. wordt beschreven hoe het Joodse volk zich met vallen en opstaan, losmaakt van de goden van de heidenen en hun gebruiken maar ook steeds weer terugvalt. God is heilig omdat Hij geen god is van hout en steen maar de ene ware God die een verbond gesloten heeft met zijn volk, die zijn volk beschermt, bevrijdt en redt.
In het O.T. heeft “oog om oog, tand om tand” de betekenis dat een straf niet buiten proportie mag zijn. Dat was in die tijd een grote vooruitgang, een paal en perk stellen aan een straf die niet in verhouding staat tot het vergrijp. Jezus gaat verder. Vergeld niet maar stel tegenover geweld vrede, geeft meer dan iemand van je vraagt. Streef in de liefde naar volmaaktheid.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 12 februari 2017

Sirach 15, 15-20
Matteüs 5, 17-37

Veel mensen zijn in onze tijd op zoek naar de weg naar binnen. De weg van je diepste innerlijke waar je mag zijn zoals je bent zonder maskerades. Steeds meer mensen proberen door de spelregels heen te stoten naar het spel van God met de mensen. Wie ben ik eigenlijk? Wie ben ik dat ik dit leven mag leiden? Wie ben ik dat ik mensen in liefde en vriendschap mag vasthouden?
Welvaart en bezit zijn in het Westen toegenomen ondanks de crisis. Ten koste waarvan? Van mensen elders in de wereld en van ons eigen leefmilieu. Die prijs is erg hoog aan het worden. Geld en bezittingen zijn in ons leven belangrijk om het spel om de knikkers mee te kunnen spelen. De vraag is alleen of we de knikkers zo langzamerhand niet belangrijker vinden dan het spel.
Een man nam eens een rijke man bij de hand en vroeg hem om door het raam naar buiten te kijken en vroeg: ‘Wat zie je?’ ‘Ik zie allemaal mensen lopen’, was het antwoord. Daarna liet de man hem in de spiegel kijken en vroeg: ‘Wat zie je nu?’ De rijke man antwoordde: ‘Alleen me zelf.’ ‘Dat klopt’, zei de man ‘want in een raam zit doorzichtig glas, achter een spiegel zit zilver, daardoor zie je jezelf. Overal waar zilver in het spel is zien mensen alleen zichzelf en niet de ander.’
Zo vat Jezus de Tien Geboden samen in twee geboden, het gebod van de liefde: ‘Bemin uw God en uw naaste als uzelf. Vergeet niet dat het tweede gebod gelijk is aan het eerste.’
In ons leven gaat het spel inderdaad om de liefde. De knikkers horen erbij maar mogen niet het einddoel
 

Overdenkingen 5 februari 2017

5e zondag door het jaar

Jesaja 58, 7 – 10
Mattheus 5, 13 - 16

In de lezing van het evangelie worden Jezus’ leerlingen, worden wij uitgenodigd het zout der aarde en het licht der wereld te zijn. Dat is niet gering, zeker niet als je bedenkt wat zout en licht allemaal kan betekenen. Zo is zout wezenlijk voor het leven omdat het bederf tegen gaat, omdat het de juiste smaak geeft, omdat het zuivert en loutert.
Zo zijn jullie, zegt Jezus tot zijn toehoorders, degenen die wezenlijk zijn voor het zichtbaar maken van het Koninkrijk Gods. Van jullie hangt het af of dat rijk van vrede en gerechtigheid ook tastbaar en voelbaar wordt in de wereld. Bovendien als jullie het niet zijn, wie dan wel? Als jullie het er bij laten zitten hoe kan dan de kracht, de uitdaging en de dynamiek van het Koninkrijk Gods nog gestalte krijgen?
Zijn wij niet allen geroepen het zout der aarde en het licht der wereld te zijn? Tot verheerlijking van God, die niets liever ziet dan een wereld waarin aan mensen recht wordt gedaan, waar mensen gelijkwaardig zijn en als zodanig worden behandeld ongeacht huidskleur, geaardheid, man of vrouw zijn. Een wereld waar vrede het wint van haat en geweld, waar zichtbaar wordt dat God ons heeft geschreven in de palm van zijn hand. Kortom een wereld waarin God zijn zin krijgt.

J. Smiers
 

Overdenkingen 29 januari 2017

34e zondag door het jaar

Sefanja 2, 3 en 3, 12-13
Matteüs 5, 1-12

Bij het zien van de menigte ging Jezus de berg op. Als een Jood het woord berg hoort, dan denkt hij aan de Sinaï, de berg van de wetgeving, de berg van Mozes.
Matteüs kijkt in het begin van zijn evangelie naar de verhalen uit het Oude Testament, de grote momenten van het verbond van God met zijn volk. Matteüs begint zijn evangelie met een geslachtsregister parallel aan Genesis, het boek van de wordingen. In het tweede hoofdstuk van het Matteüs-evangelie gaat het over de geboorte van Jezus en direct daarna over de vlucht naar Egypte. Jezus is als Jood in Egypte geweest. Het derde hoofdstuk spreekt over de doop van Jezus in de Jordaan, teken van leven en dood. Zo is ook in het boek Exodus het Joodse volk droogvoets door de Schelfzee getrokken. Dan volgt de woestijn.
Jezus wordt na zijn doop weggevoerd naar de woestijn waar hij veertig dagen is. Zo trekt het volk ook veertig dagen door de woestijn en komt bij de berg van de wetgeving.
In de lezing van Matteüs staan we ook bij een berg. De tien geboden van de Sinaï en de Zaligsprekingen uit de Bergrede horen bij elkaar. Ze zijn de morele, ethische basis van de Bijbel. De tien geboden zijn regels voor het bewaren van het Verbond en daarbij algemene regels voor het in stand houden van een samenleving.
In de Zaligsprekingen zegt Jezus welke houding wij moeten hebben om het koninkrijk der hemelen te mogen ontvangen. Armen van geest, mensen die open staan om te kunnen ontvangen. Treurenden zullen getroost worden. Niet de geweldenaren maar de zachtmoedigen zullen de aarde, het Land beërven. Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid en de ontrechten tot hun recht laten komen. De reinen van hart zullen God zien. Wie rein is van hart mag de berg van de Heer beklimmen, opgaan naar Jeruzalem. De vredestichters zullen kinderen van God genoemd worden. Zalig zij die vervolgd worden omdat ze opkomen voor gerechtigheid. Mensen die met Gods hulp hemel en aarde met elkaar willen verbinden.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 22-1-2016

Jesaja 8, 23-9, 3
Mattheüs 4, 12-17

Na de dood van koning Salomo, valt zijn rijk uiteen in het Noordrijk van 10 stammen, Israël genoemd met de hoofdstad Samaria en het Zuidrijk Juda rondom Jeruzalem. In de lezingen van deze zondag horen we over het gebied van Zebulon en Naftali, in het N.T. Galilea aan de noordgrens van Israël. In de tijd van Jesaja vormt het opkomende Assyrische rijk een grote bedreiging voor Israël en Juda. De grensgebieden Zebulon en Naftali worden het eerst door Assyrië in bezit genomen. Tenslotte valt in 721 v.Chr. Samaria en wordt de bevolking van het Noordrijk gedeporteerd naar Assyrië en vestigen zich heidense kolonisten in Israël.
Dit is het volk dat in duisternis gaat waarover Jesaja spreekt. In deze historische situatie van duisternis en dood spreekt Jesaja toch ondanks alles over licht, bevrijding en het einde van geweld. God was in het verleden een God van het verbond en zal dat in de toekomst ook zijn, God met ons. God heeft in het verleden het volk gestraft door de aanvallen van de rondom liggende volken. Maar Hij heeft zijn volk niet ten onder laten gaan, maar het juk van de roofzuchtige Midianieten verbroken. Omdat God zijn volk eens bevrijd heeft, spreekt Jesaja de hoop uit dat Hij dit ook in de toekomst zal doen.
Degene die ook gezeten is in de schaduw van de dood is Johannes de Doper die gevangen genomen is. Als Jezus dit hoort, verlaat Hij Nazareth en gaat wonen in Kapernaüm aan het meer van Galilea in het gebied van Zebulon en Naftali en begint zijn prediking. Hij zegt hetzelfde als Johannes: “bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”. Johannes zit in de gevangenis omdat hij niet heeft kunnen zwijgen over het onrecht. Jezus zet ondanks alles de verkondiging van het rijk van gerechtigheid voort. Gelukkig zijn er in onze wereld ook mensen die omwille van de gerechtigheid hun leven op het spel zetten en zich niet monddood laten maken. Want ze weten dat de gerechtigheid tenslotte sterker zal zijn dan het onrecht van de machthebbers.


J.Verhoeven
 

Overdenkingen 15 januari 2017

2e zondag door het jaar

Jesaja 49, 3-6
Johannes 1, 29-34

Na de kersttijd lezen we fragmenten uit het evangelie die ons vertellen over Jezus als volwassen mens. De verhalen zeggen als het ware: dit is Hij. Merk je Hem zo? Kun je en wil je met deze Jezus leven?
Laten we eens wat nader naar deze Jezus kijken die ons door de evangelist Johannes als zodanig wordt voorgesteld. Het Lam dat als symbool voor Hem gebruikt wordt, kent onder de joden een lange traditie. Als Abraham zijn zoon Isaak aan God gaat offeren, vindt hij tussen de struiken een lam en offert dit aan God in plaats van Isaak. Zo laat Abraham het meedoen aan het offeren van mensen achter zich iets dat in zijn tijd gebruikelijk was om God gunstig te stemmen. Het lam nam de plaats van de mens in als zoenoffer, als reinigingsoffer of als een offer uit dankbaarheid. Het Lam nam alle fouten en gebreken van jou op zich en zei als het ware plaatsvervangend tegen God: ‘Zozeer heb ik spijt over mijn fouten en gebreken dat ik er mijn leven voor over heb om mij te verbeteren.
Neem mij aan en gun mij het leven als een beter mens in uw dienst.’

J. Smiers
 

Overdenkingen 8 januari 2017

Openbaring des Heren

Jesaja 60, 1-6
Efeziërs 3, 2-3a+5-6
Matteüs 2, 1-12

Jezus wil van alle volkeren ieder mens doen delen in zijn openbaring. Niemand uitgezonderd. De oproep van Jesaja aan het begin van de liturgie, staat daar tot onze bemoediging. Sta op, laat het licht u beschijnen want de zon gaat over u op en de glorie van de Heer begint over u te schijnen. Dat klinkt als bazuingeschal om ons te laten wegroepen uit de duisternis van het wankelend geloof, van een dubieuze levenshouding, weg uit het verlokkende nieuw-heidendom om ons heen, misschien zelfs in ons zelf. Geloven is een genadegave, we hebben er geen recht op noch kunnen wij het uit eigen kracht verwerven. Vragen wij om de gave van het geloof op voorspraak van de Wijzen uit het Oosten, samen met de Wijzen uit het Westen die aan onze voorouders de Openbaring van de Heer brachten: de heilige Willibrord en gezellen. Moge zo door Gods genade en op voorspraak van de heilige Wijzen en door onze goede wil, het pas begonnen jaar een jaar worden waarin velen het kind en zijn moeder vinden of hervinden zodat de Openbaring in volle rijkdom opbloeit in vele harten tot eer van God en tot heil van onszelf en onze naasten.

J. Smiers
 

Oerdenkingen 1 januari 2017

Numeri 6, 22-27
Lucas 2,16-21

Een oude zegswijze spreekt over “in het jaar onzes Heren” .We vertrouwen ons in het nieuwe jaar aan God toe en lezen de priesterlijke zegen uit het boek Numeri.
De Heer zegene u en behoede u.
Wanneer God ons zegent betekent dat dat Hij ons zal beschermen tegen onheil en kwaad.
De Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.
Het lichtend aangezicht van de Heer is zijn heerlijkheid. God wendt zijn gelaat niet van ons af maar behoudt ons met het licht van zijn heerlijkheid en genade.
De Heer verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.
De Heer verheft zijn aangezicht over ons wil zeggen dat Hij met bijzondere aandacht naar ons omziet. Hij houdt ons staande, behoedt ons en is ons genadig. Als we geloven dat de God van liefde en vergeving naar ons omziet dan kan er in ons hart ook vrede zijn.. Ik wens u toe dat 2017 werkelijk een jaar onzes Heren zal zijn.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 25 december 2016

Lucas 2, 8-20

Het Kerstverhaal van Lucas is een verhaal dat middenin onze wereld staat. Machthebbers houden een volkstelling voor de belasting. Maria en Jozef gaan op weg naar Bethlehem omdat Jozef uit het geslacht van David is. Er is geen plaats in de herberg en Maria brengt haar kind in een kommervolle behuizing ter wereld in een achterafje. Onze verlosser komt in alle nederigheid op de wereld. Niet in Jeruzalem waar de machthebbers wonen maar in Bethlehem, de stad van David, de herder, de koning van de vrede. Op de velden van Ephraïm horen de herders als eerste de blijde boodschap. Dezelfde velden waar David herder was.
Bij Mattheüs horen we dat Maria, Jozef en het kind vanwege de machthebbers vluchten naar Egypte. Een gezin op de vlucht. We zien het dagelijks. De evangelist Johannes zegt: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen, niet aanvaard. Laten wij ons imponeren door het grote en machtige of gaan wij nederig de weg naar Bethlehem om te knielen bij het Kind en te ervaren dat het ons licht en onze Redder is?

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 18 december 2016

4e zondag van de advent

Jesaja, 7, 10-14
Mattheüs 1, 18-24

In de Bijbel zien we dat onze werkelijkheid van alledag een andere is dan die van God. In ons leven willen we zekerheid, greep hebben op de dingen die om ons heen gebeuren, alles berekenen en begrijpen. Een wereld die zich vastklampt aan een cijfermatige zekerheid van statistieken en peilingen. Wie vastzit in een wereld waarin alles moet kloppen, zal nooit open kunnen staan voor iets anders. Het blijft een leven zonder verwondering en verbazing. Als je alles zelf wilt regelen dan wordt openstaan voor iets dat je overkomt en waar je geen greep op hebt een afhankelijkheid die negatief begrepen wordt.
Jozef komt er achter dat zijn verloofde met wie hij nog niet samenwoont, zwanger is. Hij trekt zijn conclusies en wil in stilte van haar weggaan om haar niet in opspraak te brengen. Dat is de realiteit van onze wereld. Zo kan het lopen. Dan zegt een engel in een droom tegen Jozef dat hij dat niet moet doen. Wat in Maria verwekt is, is uit de Heilige Geest. Neem Maria tot je. We zien de werkelijkheid van God die doorbreekt in onze realiteit van alledag en daar haaks op staat. De openbaring van God geeft in ons leven ongekende en nooit verwachte vergezichten. Maria en Jozef, gewone mensen, worden ineens aangeraakt door de werkelijkheid van God. Een Joods meisje dat zwanger is van de Heilige Geest en een zoon zal baren, Jezus, de redder van Israël. Jozef die vader zal worden van een kind dat noch door hem noch door een andere man verwekt is maar door de kracht van de Heilige Geest. Het zal Maria en Jozef wel even geduizeld hebben toen ze dit alles hoorden. Wat overkomt ons, gewone mensen? Maar ze hebben zich niet voor die overrompelende werkelijkheid van God afgesloten. Zij hebben opengestaan voor die andere werkelijkheid en die toegelaten in hun hart. Zonder vragen te stellen hebben zij het mysterie van God over zich laten komen, en zijn deelgenoot geworden van de menswording van God.
Laten wij afstand doen van onze zekerheden, ons openstellen voor het geheim van God en ons verwonderen.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 december 2016

2e zondag van de advent
Zondag 20 november 2016 34e zondag door het jaar

Jesaja 11, 1-10
Mattheüs 3, 1-12

Vandaag horen we een tweeduizend jaar oude stem die ons opnieuw de woestijn in roept. De woestijn als de plaats waar je alles van je af moet zetten, terug geworpen op het naakte bestaan. De woestijn als plaats van zuivering, loutering en bekering. De woestijn die mensen los kan maken van de futiliteiten van alle dag. Wat lang versluierd was kan in de woestijn plotseling weer helder en klaar worden. Dan blijven de grondvragen over. Vragen als: ‘waar gaan we met de wereld en ons leven naar toe?’ En is Gods antwoord op deze vraag niet meer dan een pasgeboren kind? Sint Jan de Doper, over hem gaat het in dit evangelie, weet hoe ziek de wereld is. Hij vecht niet voor het eigen bestaan en het eigen gelijk. Hij doet een laatste poging om de ogen van mensen te openen. Hij, Johannes, en dat is misschien zijn grootste kracht, scheldt geen mensen uit, komt niet met verwijten. Hij ontsteekt nieuw licht en wijst op Hem die komen gaat:
Jezus Messias. Ook wij zijn woestijngangers. Het verhaal van Jesaja en van Johannes de Doper is daarmee ons eigen levensverhaal geworden. In deze vier weken advent worden wij uitgenodigd om de schellen van de ogen te halen zodat we kunnen zien en inzien dat er nog hoop is voor de oude tronk van Jesse. Een hoopvolle boodschap voor een wereld die in een dikke mist hangt.


J. Smiers
 

Overdenkingen 20 november 2016

34e zondag door het jaar
2 Samuël 5, 1-3 Lucas 23, 35-43

Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar vieren we het feest van Christus Koning, ingesteld door paus Pius XI in 1925. Politiek en maatschappelijk gezien een stormachtige tijd waarin socialisme, communisme en het opkomende fascisme een grote rol spelen. De Kerk heeft eeuwen lang het hele maatschappelijke leven beïnvloed. In de tweede helft van de 19 e eeuw begint de zogenaamde secularisatie. De Kerk gaat in grote delen van het sociale en politieke leven haar dominante rol verliezen. Mede met het oog hierop wordt het feest van Christus Koning ingesteld. In een tijd dat koninkrijken ten val komen en dictators aan de macht komen, moet de katholieke christen zich richten op Christus als Koning. Zoals de socialisten al zingend de zegepraal toekenden aan het volk, deden de katholieken dat aan de Koning der eeuwen. Christus vincit, Christus regnat, Christus imperat: Christus overwint, Christus regeert, Christus heerst. Triomfalistisch manifesteerde zich de katholieke kerk om zodoende haar kracht te tonen tegenover de wereldse invloeden. Een feest dat in de jaren dertig van de 20 e eeuw goed paste in een verzuild Nederland waar iedere zuil ervan overtuigd was de enige waarheid te bezitten. In de afgelopen halve eeuw is de Kerk bescheidener geworden.
In de eerste lezing horen we dat de jonge David door de oudsten van Israël tot koning gezalfd wordt. God heeft hem bestemd om Zijn volk te weiden en vorst te zijn over Israël. David zal niet heersen maar zijn volk weiden als een herder. De oudsten zalven iemand die ze kennen en waar ze vertrouwen in hebben. Toen Saul nog koning was, deed David het volk uittrekken en bracht het weer terug. Tijdens het koningschap van David is er vrede.
Jezus zal Jeruzalem binnengaan, gedenkend de woorden van de profeet Zacharia, als vredevorst, op een ezel, niet te paard als een machthebber. Als dienaar van de armen en ontrechten gaat Jezus zijn weg en sterft als een misdadiger op het kruis. Een gekruisigde koning, een paradox. God is als teken van zijn liefde in Jezus de minste van de mensen geworden. Dit is het geheim van het geloof.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 13 november 2016

33e zondag door het jaar

Maliachi 3, 19-20a
Lucas 21, 15-19

De tijd dringt. We kunnen geen zaken voor ons uit schuiven. Hier en nu hebben we verantwoording af te leggen. In een wereld die reikhalzend uitziet naar gerechtigheid krijgt het geloof betekenis. De weg van Jezus is niet de weg van de vernietiging, van de dood. Het komt er op aan dat het in je leven zichtbaar wordt dat God de leidraad is. God is goed voor zijn mensen, mensen zijn goed voor elkaar. Daarom verzet je je standvastig tegen alles wat met doden te maken heeft. Je houdt vol, je maakt het leven leefbaar om zo dichtbij te komen tot die volstrekt andere wereld die we ons voorstellen, het land van belofte. Het verhaal van vandaag roept geen ellende af maar laat zien dat wij allen de hand hebben in ons eigen bestaan. Ingrijpen in de loop van de meest schrikwekkende gebeurtenissen is mogelijk, neen sterker nog, daar komt het op aan. Want wij weten dat God geen haar van ons hoofd verloren laat gaan.

J. Smiers
 

Overdenkingen 6 november 2016

Willibrordzondag

Makkabeeën 7, 1-2 9-14
Lucas 20, 27-38

Vandaag viert de kerk de feestdag van haar patroonheilige Sint Willibrord. Hij stichtte verschillende kloostergemeenschappen, onder andere die van Echternach. In de crypte van deze kerk ligt de heilige begraven. Sinds jaar en dag is het de gewoonte om op deze feestdag onze gedachten uit te laten gaan naar alle christelijke kerken in ons land. Willibrord was de heraut van de ongedeelde kerk, ons geloven gaat op hem terug. Wij allen bewonderen deze man om de geestkracht die het hem mogelijk maakte om gedurende vijftig jaar het evangelie te verkondigen. Dat geschiedde op het eind van de zevende, begin achtste eeuw, toen reizen een zware opgave was.
Met een zekere heimwee zien wij om naar de gretigheid waarmee mensen toentertijd de boodschap van licht in zich opnamen en levende christelijke gemeenschappen begonnen te vormen.

Laat ons daarom bidden:

Almachtige, eeuwige God
die verdeeld zijn brengt Gij weer samen,
die samen zijn, bewaart Gij in vrede.
Zie neer op Uw kerk.
Verenig allen die door één doop zijn geheiligd
en verbind hen door een band van liefde.
Amen


J. Smiers
 

Overdenkingen 30 oktober 2016

Wijsheid 11, 23-12,2
Lucas 19, 1-10

Deze zondag staan de beide lezingen in het teken van Gods liefde. God is begaan met zijn schepping en zijn schepselen. “Hij die trouw is tot in eeuwigheid en nooit laat varen het werk van zijn handen”. Hoe zou God iets kunnen haten wat Hijzelf gemaakt heeft? God wil niet de dood van de zondaar, laat hem niet aan zijn lot over maar zoekt het afgedwaalde schaap. Jezus bekommert zich om de randfiguren van de maatschappij waar fatsoenlijke mensen niets mee te maken willen hebben. De Schriftgeleerden verwijten Jezus dat Hij zondaars ontvangt en met hen eet. Jezus oefent op deze zondaars toch een aantrekkingskracht uit want tollenaars en zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen, aldus de evangelist Lucas.
Jezus komt in Jericho en daar is de rijke oppertollenaar Zacheüs. Overal in het Romeinse rijk werd tol ( een vorm van indirecte belasting) geheven zoals bij wegen en bruggen. De Romeinen deden dat niet zelf maar hadden het geprivatiseerd. Een particulier pachtte van de Romeinen een tolpunt, hief extra hoge tol en werd op deze manier van uitbuiting zeer rijk. Had iemand vele tolpunten dan deed hij aan onderpacht. Dat was een oppertollenaar zoals Zacheüs die zodoende ook nog de winst uit de onderpacht had. Zacheüs is klein en klimt in een boom om ondanks de menigte Jezus te kunnen zien. Jezus ziet hem en roept: “ Zacheüs, kom snel naar beneden; vandaag moet Ik in uw huis verblijven”. Zacheüs komt snel naar beneden en ontvangt Jezus met vreugde. De tollenaar die door iedereen gehaat is, geen vrienden heeft en die door geen mens wordt aangezien, wordt door Jezus gezien en geroepen. Jezus komt bij hem thuis. De mensen spreken er schande van dat Jezus bij een zondaar thuis komt. Maar Zacheüs moet gedacht hebben: eindelijk iemand die ondanks alles mij aanziet, oog en oor voor mij heeft, mij ziet als mens. Misschien wilde hij wel veranderen maar wist niet hoe, zonder hulp. Jezus heeft hem over de drempel heen geholpen om in het reine te komen met zijn verleden. Wie Jezus toelaat, wordt licht.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 23 oktober 2016

Sirach 35, 12-14 en 16-18
Lucas 18, 9-14

De enkele verzen die we deze zondag lezen uit het boek Jezus Sirach brengen ons direct tot de kern van de Bijbel. We lezen dat God niet partijdig is ten nadele van de arme. Positief gezegd: God kiest voor de armen en zwakken die Hij beschermt en tot hun recht laat komen. God is niet om te kopen met offers en zeker niet als deze op onrechtvaardige manier verkregen zijn. God luistert naar het gebed van de ontrechte, de smeekbede van de wees en het lange verhaal van de weduwe. God kijkt niet naar iemands rijkdom en status maar alleen of hij rechtvaardig handelt en dat is vaak slecht te combineren met rijkdom. In de parabel van de rijke man en de arme Lazarus heeft de rijke man niet eens een naam. God draait de rollen om. Wie hier de eerste plaats heeft, aanzien, macht en rijkdom, komt bij God op de laatste plaats. “Machtigen stoot Hij van de troon en rijken stuurt Hij heen met legen handen”. Rijken in de betekenis van hen die zich verrijkt hebben ten koste van een ander die daardoor arm geworden is.
De parabel van de farizeeër en de tollenaar illustreert dat. In het N.T. wordt meestal een karikatuur gegeven van de farizeeërs. De farizeeërs hadden aanzien en waren zeer vrome Joden. De farizeeër uit de parabel leeft alle geboden strikt na en is in dat opzicht een voorbeeldig gelovige. Daar tegenover de tollenaar die gehaat wordt omdat hij zich verrijkt heeft door het heffen van veel te hoge belastingen. Op het eerste gezicht kunnen we denken dat bij God de gelovige farizeeër wel op een hogere plaats zal staan dan de zondige tollenaar. Maar de farizeeër stelt zich in zijn gebed zelf op de eerste plaats en dankt God dat hij niet is als al die andere zondaars. De tollenaar maakt zich klein voor God, zich bewust van zijn zonde. Hoogmoed tegenover nederigheid en schuldbesef. Dan kiest God voor de tollenaar die berouw heeft van zijn fouten. God kijkt niet naar de uiterlijke status van mensen maar naar het hart.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 16 oktober 2016

29e zondag door het jaar

Exodus 17, 8 – 13
Lucas 18, 1 – 8

Vandaag horen we Jezus ons aansporen om te blijven bidden en de moed daartoe niet op te geven. Problemen met bidden zijn blijkbaar van alle tijden. Voor ons is één van de grootste hindernissen om tot bidden te komen, het jachtige levenstempo. We hebben veel om handen. We zijn met iets bezig en tegelijkertijd zijn we met onze gedachten al bij iets anders. Daarnaast komt er via telefoon, televisie, radio en krant veel ongevraagd op ons af. Probeer in die drukte maar eens tot bidden te komen. Een tweede probleem is veel ouder zoals blijkt uit het einde van deze evangelielezing. Zal de mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden? Bidden veronderstelt een bepaalde kijk op het leven, op mensen. Om te kunnen bidden moet je geloven dat de mens op zichzelf niet genoeg is, dat hij zijn ontstaan en zijn bestaan in de grond van de zaak aan God te danken heeft. Een God die we maar het beste Onze Vader noemen zoals Jezus heeft gezegd. Bidden is tijd en ruimte maken om God, Onze Vader, te kunnen ontmoeten. Vertrouwen op Hem speelt daarbij een grote rol. Woorden zijn daar lang niet altijd voor nodig. Maar ook dat is een menselijke ervaring. Soms kun je zonder iets te zeggen veel dichter bij elkaar zijn dan met veel woorden. Maar misschien kan dat alleen als er vele jaren overheen zijn gegaan, als de band door het leven is beproefd en gelouterd, als je jezelf hebt durven losmaken voor die ander.


J. Smiers
 

Overdenkingen 28 aug 2016

Sirach 3, 17-18; 20; 28-29
Lucas 14, 1 en 7-14

De boeken van de Bijbel zijn meer dan 2000 jaar geleden geschreven. Verhalen over mensen weliswaar in een andere situatie dan de onze maar met dezelfde gevoelens van twijfel, angst, verdriet en vreugde. Mensen zoals wij in hun zwakke en goede momenten en daarom voor ons herkenbaar en begrijpbaar ondanks de kloof van de tijd. Haat, jaloezie, ontrouw, overspel en moord passeren de revue. Er is niets nieuws onder de zon. De mens is niet veranderd. Jezus is uitgenodigd voor een maaltijd en ziet hoe de gasten de eerste en ook de beste plaatsen uitzoeken. Dan vertelt Hij de gelijkenis van een bruiloftsmaal. Ga als genodigde niet op de eerste plaats zitten. Als er een voornamere gast komt, dan word je tot je schande teruggewezen naar de laatste plaats. Neem eerst de laatste plaats in zodat de gastheer je kan uitnodigen voor een betere plaats. Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. In de lezing uit het boek Jezus Sirach horen we: “Hoe hoger je staat des te kleiner moet je je maken en je zult genade vinden bij de Heer”.
Deze woorden staan haaks op onze ervaringen van alledag waar concurrentie en macht in het klein en in het groot de dienst uitmaken en bescheidenheid allang geen deugd meer is. Of je genade zult vinden bij de Heer is al helemaal geen thema meer. In de big business en de politiek gelden vaak het recht van de sterkste, geslepenheid en demagogie. Wie de hoogste plaats heeft, probeert die koste wat het kost te behouden.
Gelukkig komen de andere waarden waar de Bijbel over spreekt ook in onze wereld voor. Mensen die met hun beste krachten zich inzetten voor vrede en rechtvaardigheid, vaak werkers in het verborgene, afkerig van macht en aanzien. De werkelijk grote geesten kenmerken zich door eenvoud en bescheidenheid. De brutalen hebben de halve wereld, van macht, aanzien en roem. De andere helft is voor de zachte krachten die in alle stilte onvermoeid werken aan Gods rijk van gerechtigheid. Zij hebben het beste deel gekozen.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 31 juli 2016

Prediker 1,2 en 2, 21-23
Lucas 12, 13-21

Deze zondag lezen we enkele verzen uit het boek Prediker. Het zijn de
overpeinzingen van een bejaarde man die terugkijkt op zijn leven.
Hij heeft niet stilgezeten maar heel veel gedaan in zijn leven en zijn
eerste conclusie is:Alles is ijdelheid en najagen van wind. In het hele
boek Prediker komt deze zin als een soort refrein steeds terug.
Bij het woord ijdelheid moeten we niet denken aan een ijdeltuit.
IJdelheid betekent hier ijl, wind, leegte zoals we spreken over een
ijle lucht, over een ijlbode. Het gaat om iets dat snel vervliegt.
Wat hebben we van als onze moeite en zwoegen? Wij zijn eindig
wezens en kunnen Gods raadsbesluiten niet doorgronden. Het begin
van alle wijsheid is de vreze des Heren, de eerbied voor God. Als
je bij al je zwoegen, kunt genieten van eten en drinken dan is dat een
gave van God. Wie vertrouwt op God mag op een bepaalde wijze
onbezorgd zijn. De rijke dwaas houdt geen rekening met de vluchtigheid
van zijn bestaan en ook niet met God. De mens wikt, maar God beschikt.
 

Overdenkingen 24 juli 2016

Genesis 18, 20-32
Lucas 11, 1-13

Deze zondag gaan de beide lezingen over het gebed. De leerlingen vragen aan Jezus: “leer
ons bidden”. We horen de korte vorm van het Onze Vader wat wij altijd bidden in de
uitgebreidere zoals die in het evangelie van Mattheüs staat. Vader, uw naam worde
geheiligd. Heilig betekent in de Bijbel apart gesteld, bestemd voor een bijzondere taak. Wij
moeten de naam van God heiligen, weten dat Hij niet zomaar een god temidden van andere
goden is. Hij is de God van Abraham, Izak en Jakob, die zijn volk heeft bevrijd en geleid door
de woestijn, de ene ware God van het Verbond. Hij heeft ons de tien Woorden, leefregels
gegevens om in vrede en gerechtigheid te kunnen leven. Als we volgens de tien Woorden
leven dan geschiedt Gods wil op aarde. Dat houdt ook in dat wij verlangen naar de komst
van Zijn Koninkrijk. Als het bij Mattheüs over onze alledaagse bezorgdheid gaat wat we
zullen eten en drinken, dan antwoordt Jezus: “zoekt eerst Gods Koninkrijk en Zijn
gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”. Eerst zoeken naar het
Koninkrijk van God. Daarna is de bede om ons dagelijks brood op zijn plaats of misschien
wel overbodig want God weet immers wat wij nodig hebben. Iets aan God vragen betekent
dat de relatie met God goed moet zijn. Daarom vragen we God om vergeving zoals wij ook
de ander vergeven. Maar we weten van onszelf hoe moeilijk dat vaak is. Het is eerder een
wens en een aansporing. God vergeeft ons en laten wij dan hopelijk ook elkaar vergeven.
“En leid ons niet in verzoeking”. Deze laatste bede moet in de eerste plaats begrepen
worden tegen de achtergrond van de spoedige verwachting van de komst van het Koninkrijk
van God en de daaraan voorafgaande beproevingen van de eindtijd.
Bidt en u zal gegeven worden. Dat betekent niet dat we alles aan God kunnen vragen. Ons
vragen moet altijd staan in het teken van het Koninkrijk van God, betrokken op
gerechtigheid, vrede, wijsheid, bezorgdheid om de ander en zijn noden. Dan zal ons gebed
zeker verhoord worden.

J. Verhoeven
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd