Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 15 juli 2018

15e zondag door het jaar

Amos 7, 12-15
Efeziërs 1, 3-14
Marcus 6, 7-13

Na de dood van koning Salomo valt het rijk uiteen in het Noordrijk Israël
met als hoofdstad Samaria en de tempel te Bethel, en het Zuidrijk Juda
rond Jeruzalem. De profeet Amos komt uit Juda maar richt zijn profetie
tot Israël. Amos is bij uitstek de profeet die tekeer gaat tegen sociale
uitbuiting en ongerechtigheid. Hij zegt dat God de tempelliturgie,
de liederen en offers haat als er geen gerechtigheid aan de naaste
gedaan wordt. Bethel betekent ‘huis van God’. Maar zonder gerechtigheid
is de tempel in Bethel geen huis van God meer. Koning Jerobeam zal
door het zwaard sterven en het volk zal in ballingschap weggevoerd
worden. Deze kritische en harde woorden zijn de waarheid waarmee
men niet geconfronteerd wil worden. Amos mag niet meer in Bethel
profeteren en moet teruggaan naar Juda om daar te profeteren. Amos
antwoordt dat hij geen profeet is maar veehouder en vijgenkweker.
God heeft hem geroepen achter de schapen vandaan. Ook de
profeet Elisa werd geroepen achter de ploeg vandaan. God
roept mensen te midden van hun dagelijkse werk. Toch staan ze
open voor de stem van God. God heeft een grotere taak voor hen
die ze met Zijn kracht kunnen vervullen.
Jezus gaat langs het meer, roept eenvoudige vissers weg van hun
netten om Hem te volgen. Hij zendt zijn leerlingen twee aan twee
uit en geeft hun de macht over onreine geesten, stoorzenders die
het ontvangen van de blijde boodschap in de weg staan. De
discipelen worden uitgezonden om te preken dat de mensen zich
moeten bekeren. Zij doen wat Jezus zelf gedaan heeft: boze
geesten uitdrijven en zieken genezen.De brief van Paulus aan
de Efeziërs opent als volgt: “Paulus, door de wil van God een
apostel van Jezus Christus”. Paulus die Saulus was en de
volgelingen van Jezus vervolgde. Niet door zijn eigen wil maar
door de wil van God is hij Paulus geworden. In
ons eigen leven de wil van God ervaren, is niet eenvoudig.

J.Verhoeven
 

Overdenkingen 8 juli 2018

14e zondag door het jaar

Ezechiël 2, 2-5
2 Korintiërs 12, 7-10
Marcus 6, 1-6

In de Bijbel is een profeet niet iemand die de toekomst voorspelt.
Een profeet heeft drie taken.
Ten eerste moet hij het Joodse volk er steeds op wijzen dat
het het verbond met God behoudt en leeft volgens de richtlijnen,
de Woorden, die God gegeven heeft. Hij moet het volk waarschuwen
als het andere wegen gaat, weg van God, andere goden aanbidt
en geen oog meer heeft voor recht en rechtvaardigheid.
Dan roept de profeet het volk op zich te bekeren en terug te
keren tot God en zijn verbond. Als het volk alle waarschuwingen
van de profeet in de wind slaat en zich niet bekeert zoals in de
tijd voor de ballingschap, dan heeft de profeet als tweede zware
taak het oordeel aan te zeggen waaraan het volk niet kan ontkomen.
Het volk ondergaat de straf van God, heeft berouw en komt tot
inkeer. De derde taak van de profeet is dan het volk te troosten
en hoop te geven. God zal niet voor altijd boos blijven. Hij is de
God van genade die niet de dood van de zondaar wil.
Het is niet benijdenswaardig om profeet te zijn. De profeet
Ezechiël wordt door God naar de Israëlieten gezonden. God
spreekt over een opstandig volk dat van Hem is afgevallen.
Of ze horen of niet, ze zullen weten dat een profeet in hun midden is
geweest. Ezechiël mag niet bang zijn voor hun woorden en hun blik.
Jezus leert in de synagoge van Nazareth. De mensen zijn verbaasd
over zijn wijsheid en de krachten die door zijn handen geschieden.
Verbazing die omslaat in een muur van ongeloof als ze beseffen
dat deze wijze woorden niet gesproken worden door een geleerde
rabbijn maar door een dorpsgenoot, gewoon de zoon van de timmerman.
Ineens kan er van zijn woorden geen gezag meer uitgaan en kan Jezus
in Nazareth geen enkel teken meer doen. Onbegrip en lijden omwille
van de verkondiging, zou dat de doorn in het vlees zijn?

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 1 juli 2018

13e zondag door het jaar

Wijsh. 1, 1. 13-15; 2, 23-24
2 Kor. 8, 7.9, 13.15
Mc. 5, 21-43

We krijgen deze zondag twee wonderverhalen voor
de prijs van één, zou je kunnen zeggen. Het eerste
verhaal gaat over een meisje van twaalf jaar dat
doodziek is. Het omsluit een tweede wonderverhaal
over een vrouw die – ook – twaalf jaar ziek is. Er 
gebeuren wonderen: de vrouw geneest en het
kind komt terug tot leven. Hoezeer zouden we
niet wensen dat dit ook nu nog kon gebeuren!
Maar, het wonder van toen gebeurt niet. Toch
heeft dit verhaal voor ons een eigentijdse betekenis.
De vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt is volgens
de Wet onrein en mag zich niet in het openbaar
vertonen. Daarom raakt ze in het geheim zijn
kleren aan in de hoop genezen te worden.
“Hoe groot is haar geloof”, getuigt Jezus.
Marcus plaatst dit geloof tegen het ongeloof
van de omstaanders bij het dode meisje.
Ze was doodziek en hun ongeloof heeft haar
gedood. Ongeloof geeft geen leven, maar
ontneemt het leven. Het laat alles 
verstarren. Mensen gaan eraan kapot.
Jezus roept de vader van het kind op om te 
blijven geloven en niet bang te zijn. Daardoor
kan de dochter tot leven komen.
Als je gelooft, gebeuren er wonderen,
maar als je niet gelooft en alles weglacht
(zoals de omstaanders deden), kan er geen
wonder komen. Wie geen kansen geeft, wie niet 
vertrouwt, wordt achterdochtig en laat de dood
binnenkomen in het hart. 
Het boek Wijsheid schrijft: “God heeft de dood
niet gemaakt … maar door de afgunst van de
duivel is de dood in de wereld gekomen”
(Wijsh 1,13.24a).
Deze wonderverhalen vertellen ons dat je door
te geloven tot het ware leven komt. Ook aan
ons zegt Jezus: 
‘Talita koem!’: sta op, de wereld ligt voor je
open, ga leven!
Afgunst, jaloezie; het werkt niet.
Gooi het over een andere boeg.
Het leven is een wonder.
Geloof erin!

Pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenkingen 24 juni 2018

Jes. 49, 1-6
Hand. 13, 22-26
Lc. 1, 57-66.80

De lezingen van elke zondag liggen vast volgens een bepaald schema.
Dit schema mag eigenlijk niet doorbroken worden. Toch zijn er enkele
heel bijzondere feesten waarbij dit wel gebeurt. Het feest van de geboorte
van Johannes de Doper hoort hierbij. Het is al heel eigenaardig dat de
geboorte van iemand gevierd wordt – dat het ook op een zondag gebeurt
is al heel sterk. Johannes de Doper is dan ook niet de eerste de beste.
Jezus zelf noemt hem de grootste onder de profeten. Hij was als
wegbereider van de Heer, de nederigste dienaar waarvan de profeet
Jesaja spreekt in de eerste lezing.
Het bijzondere van Johannes komt reeds tot uitdrukking in zijn
geboorte. Elisabeth, zijn moeder was eigenlijk te oud om nog
kinderen te krijgen. Zacharias, zijn vader, werd de mond gesnoerd
tot hij de naam van zijn zoon zou openbaren. De naam die hij kreeg
was tegen alle traditie in: niet Zacharias, maar Johannes. Dit betekent:
‘De Heer is genadig’. Hij zal aan zijn volk aankondigen dat de Heer hun
genadig is en hun zonden vergeeft. Daartoe moeten zij zich bekeren.
Mensen oproepen tot bekering is geen gemakkelijke opdracht.
Niemand verandert graag van gedrag en gewoontes, ook al zijn
die fout. Johannes doet zijn oproep met volle overtuiging. Daartoe
gebruikt hij ferme taal. Koning Herodes zet hij ongezouten op zijn
plaats en dat zal hem het hoofd kosten (Mt. 14). Maar hij blijft zijn
roeping trouw. Ook nu weer klinken de woorden van Jesaja duidelijk
als een verwijzing naar Johannes: ‘Hij heeft mijn tong tot een snedig
zwaard gemaakt.’ (Jes. 49,2). Omdat hij trouw geweest is aan die
opdracht is hij voor God geen geringe dienstknecht meer, maar
aangesteld om een licht voor de volken te zijn, want Gods heil moet
reiken tot in de uithoeken van de aarde (Jes. 49,6). Mag Johannes
ook voor ons een licht zijn dat ons oproept tot een voortdurende
bekering naar het ware Licht.

Pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenkingen 17 juni 2018

11e zondag door het jaar

Ezechiël 17, 22-24
2 Korintiërs 5, 6-10
Marcus 4, 26-34

In de Bijbel is de ballingschap het dieptepunt in de geschiedenis van het
Joodse volk. Over de politieke situatie die daaraan vooraf gaat, spreekt
Ezechiël in de vorm van een fabel. Een machtige arend vliegt naar de
Libanon, rukt een top van een ceder af en brengt die naar een
handelsland. De tempel en het paleis in Jeruzalem waren gebouwd van
cederhout en de ceders van de Libanon staan symbool voor het koningshuis
van Israël. Daar maakt de arend die Babylon is, in 598 v. Chr. een einde
aan door koning Jojachin van Juda weg te voeren naar Babylon?. De arend
neemt een spruit van het land en zet deze in goede aarde met veel water
zodat het een goede wijnstok kan worden. Koning Nebukadnezar stelt de
oom van Jojachin, Zedekia, aan als vazalkoning over Juda en Zedekia legt
de eed van trouw af. Maar Zedekia verbreekt de eed van trouw door steun
te zoeken bij de farao van Egypte. De wortels van de wijnstok zitten niet
in de aarde maar richten zich naar de tweede arend, de farao. Daarna
wordt de wijnstok uitgerukt. In 586 v. Chr. wordt Jeruzalem veroverd, de
stad en de tempel verwoest en Zedekia met de rest van de bevolking
weggevoerd naar Babylon.
In dit dieptepunt horen we de hoopvolle belofte van Ezechiël. God zelf
zal een twijgje van de ceder plukken en deze planten op een hoge,
verheven berg. Het kleine en nederige twijgje zal uitgroeien tot een
prachtige boom. Door de kracht van God zal het kleine mosterdzaadje een
grote boom voortbrengen. God zaait in ons en als wij geloof hebben,
al is het maar zo klein als een mosterdzaadje, dan zijn wij tot grote
dingen in staat.
Jezus is begonnen met een paar vissers in Galilea. Zijn blijde
boodschap is tegen de verdrukking in de wereld rond gegaan. De
vlam van het geloof is soms klein maar wordt steeds weer aangeblazen
door de Heilige Geest.



J. Verhoeven
 

Overdenkingen 10 juni 2018

Genesis 3, 9-15
2 Korintiërs 4, 3 - 5, 1
Marcus 3, 20-35

De vraag waar de zonde en het kwaad vandaan komen, is zo oud als de mensheid. Het zijn de grote vragen van het leven die iedere mens op zijn tijd bezig houden. Zo zijn de verhalen ontstaan in het boek Genesis, het boek van de wordingen, mythen over de oorsprong van het kwaad, de broedermoord (Kaïn en Abel), het ontstaan van de vele talen en de verspreiding van de volken over de aarde (Babel) en het verhaal van de zondvloed.
In het paradijs mag de mens van alle bomen eten. Maar één boom mag niet aangeraakt worden en van haar vruchten mag niet gegeten worden. De boom van kennis van goed en kwaad is taboe en de overtreding daarvan zal bestraft worden met de dood. De slang weet de vrouw te vertellen dat ze niet zal sterven en dat ze zal zijn als God, kennende goed en kwaad. Als mensen willen zijn als God, gaat het verkeerd. De paradijselijke, nog onbewuste relatie met God wordt verbroken. Een verbroken relatie met God noemen wij zonde. Ineens is de mens zich bewust dat hij tegenover God nietig, klein, naakt is. De mens moet zijn plaats weten tegenover God. De mens in zijn eindigheid kan de Eeuwige niet omvatten. Wij moeten niet proberen het mysterie van God te doorgronden, uit onszelf op te klimmen naar God zoals de torenbouwers van Babel. God neemt altijd het initiatief om de mens te bereiken. God sluit een verbond met de mens.
Bij de evangelisten horen we hoe dat verbond van God met de mens gestalte krijgt in Jezus. Hij verkondigt het evangelie, de blijde boodschap. De eerste genezingen die Jezus doet, is het uitdrijven van boze geesten die het ontvangen van de blijde boodschap beletten. Dan staat er de moeilijke tekst dat de lastering van de Heilige Geest nooit vergeven zal worden. Misschien is het de grootste zonde als wij twijfelen aan de liefde van God en zijn genade.

j.Verhoeven
 

Overdenkingen 3 juni 2018

Sacramentsdag
Exodus 24, 3-8
Heb 9, 11-15
Marcus 14, 12-16. 22-26

Afgelopen donderdag was het Sacramentsdag. Daarom staan we deze zondag stil bij het sacrament van de Eucharistie. We gaan in gedachten terug naar de avond van Witte Donderdag waarop wij gedenken hoe Jezus met zijn leerlingen voor de laatste keer het Joodse Paasfeest, Pesach, vierde. Het is de avond van het gedenken, van de verhalen over de heilsdaden van God die doorverteld moeten worden van vader op zoon. Het verhaal van de uittocht uit Egypte met het ongezuurde brood en het bittere kruid ter herinnering op tafel. Jezus neemt het brood, spreekt de zegen uit en breekt het. Zo is het ieder jaar volgens de traditie met Pesach gegaan. Maar dan voegt Jezus iets toe aan de traditie. Hij geeft het brood aan zijn leerlingen en zegt: “Neemt, dit is mijn lichaam” en bij de wijn: “Dit is het bloed van mijn verbond dat voor velen vergoten wordt”. Jezus betrekt brood en wijn op zichzelf en gaat zo staan in de traditie, in de overlevering om overgeleverd, doorgegeven, doorverteld te worden. Jezus staat in de overlevering en wordt in de Hof van Olijven letterlijk overgeleverd aan de mensen.
De verhalen over de grote daden van God veronderstellen het verbond dat God met de mens gesloten heeft, met Abraham, met Zijn volk, met Mozes en dat van geslacht op geslacht hernieuwd wordt. De verbondssluiting werd bekrachtigd met een offer. Mozes besprenkelt het Joodse volk met offerbloed en spreekt over het bloed van het verbond. In de Bijbel is bloed het symbool van het leven en levenskracht. De verbondspartners zullen met heel hun levenskracht zich moet inzetten om het verbond te bewaren. In de nacht van de uittocht moesten de Joden bloed aan hun deurposten smeren opdat de engel van de dood aan hun huizen voorbij zou gaan. Bloed als teken van leven dat de dood moet weren.
We ontvangen brood en wijn, tekenen van het verbond van God met ons, dat zichtbaar geworden is in de liefde van Jezus. Deze liefde die wij ontvangen moeten wij doorgeven in het dagelijks leven.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 22 april 2018

4e zondag na pasen

Handelingen 4, 8-12
Johannes 10, 11-18

Vandaag horen we in dit evangelie Jezus zeggen: ”Ik ben de Goede Herder”. Hij spreekt deze woorden in de zuilengang van de tempel en nog wel op het lichtfeest waarop de jaarlijkse tempelwijding feestelijk wordt herdacht. En dan krijgt Jezus een beslissende vraag voorgelegd. De vraag die joden al eeuwen lang op de lippen brandt en bezig houdt. De vraag die ook nu nog de hoop en de verwachting uitmaakt van een nieuwe generatie. Zal de Messias nu komen? Wie is het dan? Is Hij er al en zo ja, waar is Hij dan? Voor veel tijdgenoten benadert Jezus het beeld van de Messias. Ze zien iets in Hem en zeggen: “Hoe lang houd je ons nog in spanning? Als jij de Messias bent, zeg het ons dan ronduit”. Hij tekent zichzelf als de Goede Herder met een hart voor het lot van zijn schapen, zij kennen Hem en luisteren naar zijn stem. De Herder zorgt ervoor dat hen niets overkomt. Dat alles maakt Jezus tot een Goede Herder die zijn leven ondergeschikt maakt aan het lot van hen die aan Hem zijn toevertrouwd


J. Smiers
 

Overdenkingen 8 april 2018

Handelingen 4, 32-35
Johannes 20, 19-31

In deze Paastijd is het de bedoeling dat wij het verhaal van Pasen, van de opstanding, (weer) een plaats geven in ons eigen leven, dat wij in onszelf opstanding ervaren. Dat is niet eenvoudig en ook voor de eerste christenen was niet alles direct duidelijk. In de Paasnacht hebben we het verhaal van de opstanding naar Marcus gehoord. Vrouwen zijn bij het graf gekomen, de steen is weggerold, een jongeman zit in het graf en zegt dat de gekruisigde opgewekt is. Zij moeten tegen de discipelen zeggen dat Jezus te vinden is in Galilea. “De vrouwen vluchtten van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets want ze waren bang”. Dat is het oorspronkelijke slot van het vroegst geschreven evangelie van Marcus, zeer menselijk en realistisch.
Deze menselijke twijfel is er ook in het verhaal van de zogenaamde ongelovige Thomas dat we vandaag lezen. Jezus verschijnt op de avond van de opstanding aan de discipelen en Thomas is er niet bij. Het eerste wat Jezus zegt is “vrede zij met U “ en toont de tekenen van Zijn lijden. De discipelen herkennen de Heer en zijn blij. Het lijden mag niet vergeten worden maar hoeft ons ook niet terneer te drukken. We mogen vrede hebben met het verleden. Jezus is de Gekruisigde en Opgestane.
Nogmaals wenst Jezus zijn discipelen vrede. Zoals God Jezus gezonden heeft, zo zendt Jezus zijn discipelen, blaast over hen de Heilige Geest en geeft hen de kracht zonden te vergeven. Het verleden hoeft geen last meer te zijn. We mogen met een schone lei opnieuw beginnen. Er mag vrede zijn in ons hart.
Thomas was er niet bij. De discipelen vertellen hem dat zij de Heer gezien hebben. Thomas wil pas geloven als hij de tekenen van het lijden gezien en aangeraakt heeft. Een week later zal dat gebeuren.
Eerst zien en dan geloven? Alleen de Heilige Geest schenkt ons de kracht van het geloof om in de Gekruisigde de Verrezene te herkennen. Het mysterie van Pasen kunnen wij slechts ervaren als wij zien met de ogen van het geloof.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 25 maart 2018

palmzondag

Marcus 11, 1-10
Jesaja 50, 4-7
Marcus 14, 1 - 15, 46

Palmzondag is bij uitstek de dag met twee gezichten. Enerzijds is er de feestelijke intocht in Jeruzalem, waar Jezus wordt binnengehaald als de Messias. ‘Hosanna! Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren; geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!’
Het Joodse volk dat snakt naar bevrijding, vertolkt een verlangen dat van alle tijden en plaatsen is. O, dat er toch een einde mag komen aan alle ellende, dat er nu toch eindelijk vrede mag zijn!
En velen van hen hebben zo naar die vervulling verlangd, dat zij het in deze profeet uit Nazaret hebben herkend. Zoals hij sprak en deed, zoals hij aandacht had voor iedereen die in nood zat, de prostituee en de tollenaar, de melaatse en de weduwe die haar kind verloor: hij gaf iedereen nieuwe moed, een nieuw perspectief, nieuw leven. Hij hielp een wereld creëren zoals God die van in den beginne voor alle mensen bedoeld had, of minstens gaf hij er toch een doorkijkje naar.
Dus nu hij zo vlak voor Pasen in Jeruzalem binnenkomt, gonst het door heel de stad: ‘Zou hij dan misschien ....?’, ‘Zou het dan eindelijk toch eens ....’ en anderen zeggen en zingen het hardop: ‘Hij is de Messias!’
En anderzijds is er het lijdensverhaal, waarin Jezus door iedereen in de steek gelaten wordt. Zelfs zijn leerlingen verraden en verloochenen hem, vluchten weg en laten hem alleen aan het kruis sterven. De dienaar des Heren is zelf niet weggevlucht. Hij heeft ons niet in de steek gelaten met al ons leed en al ons kwaad, maar Hij heeft zijn kruis op zich genomen.
Wij worden deze Goede Week uitgenodigd om Hem te volgen langs Witte Donderdag en Goede Vrijdag naar het grote mysterie en de vreugde van het feest van Pasen: de dood heeft niet het laatste woord. Binnen in de intimiteit van Jezus en zijn Vader blijkt Gods eeuwige trouw: Hij is verrezen!
Ook de Messias moet door het lijden heen. En wij? Hem achterna ...
pastor C. Dekke
 

Overdenkingen 18 maart 2018

Jeremia 31, 31-34
Hebreeën 5, 7-9
Johannes 12, 20-33

De vijfde zondag van de Veertigdagentijd bereidt ons weer verder voor op de weg naar Pasen.
Dit jaar is de eerste lezing telkens een verbond dat God met zijn volk sluit. Vandaag horen we dit uit de mond van de profeet Jeremia. Het gaat niet om strakke regels, maar om de verbondenheid van hart tot hart. God schrijft zijn verbond in ons hart.
Ook Jezus zelf bereidt ons alvast voor op wat komen gaat. Hij vertelt ons dat Hij doodsbang is. En toch vraagt Hij niet dat dit ogenblik aan Hem voorbijgaat, want - zegt Hij - juist hiervoor is Hij gekomen. Als een graankorrel zal Hij in de aarde sterven om zo vrucht te dragen voor velen.
In de Hebreeënbrief wordt het ons uitgelegd: Priesters dragen namens en voor het volk offers aan God op. Dat deden de (hoge)priesters in de tempel met lammeren en andere dieren. Als priester brengt Jezus een ander offer: Hij geeft zichzelf omwille van alle mensen. Hij gaat niet door het voorhangsel van de tempel naar het Heilige der Heiligen, maar Hij gaat de dood door om bij God voor ons te bemiddelen. Hij heeft ons leven ten volle gedeeld, tot en met alle angst en pijn aan toe, en kan dus al onze zwakheid en onze fouten meevoelen. Zo is Jezus de volmaakte (hoge)priester: intiem verbonden met God, zijn Vader en tegelijkertijd volledig solidair met ons.
Wij worden uitgenodigd om met Hem mee te trekken. Zo mag deze tijd van Veertig dagen ons voorbereiden om zelf ook steeds meer mensen van liefde te zijn, verbonden met God en met mensen, om tot het volle leven te komen, dat we met Pasen mogen vieren en ontvangen.

pastor C. Dekker
 

Overdenkingen 11 maart 2018

2 Kronieken 36, 14-16, 19-23
Johannes 3,14-21

Deze vierde zondag in de Veertigdagentijd heet zondag Laetare naar de oude introïtus Laetare, Jerusalem: Verheug u, Jeruzalem: houdt een bijeenkomst, gij allen, die deze stad liefhebt: verheugt en verblijdt u, gij die vol droefheid geweest zijt: nu moet gij juichen en u verzadigen aan de troost die zij, moeder, u schenkt ( Jesaja 66,10). Het begin van de eerste lezing uit het boek Kronieken geeft geen reden tot vreugde. Hier wordt het dieptepunt in de geschiedenis van het Joodse volk beschreven, de deportatie naar Babel. God heeft door middel van de profeten Zijn volk steeds gewaarschuwd. Houd je aan het verbond met God en aanbidt geen andere goden. Leef volgens de leefregels van de tien Woorden. Bekeer je voordat het te laat is. Het volk en de priesters hebben de waarschuwingen in de wind geslagen, zijn hun eigen weg gegaan en hebben het huis van de Heer, de tempel, onrein gemaakt. Dan is voor God de maat vol en trekt Hij zijn beschermende hand terug en geeft het volk over aan zijn vijanden. Rond 600 v. Chr. is de grootste bedreiging voor Jeruzalem de opmars van het Babylonische rijk. Jeruzalem is steeds de dans ontsprongen maar wordt in 586 v. Chr. ingenomen. De bevolking wordt weggevoerd naar Babel, Jeruzalem en de tempel verwoest. In Babel komt het volk tot inkeer. “Aan de stromen van Babylon zaten wij en weenden”. Het volk denkt terug aan Jeruzalem. Daar in de ballingschap zijn de oude verhalen van het Joodse volk voor een groot deel opgeschreven en geredigeerd. Het hart van het Jodendom, de tempel, is niet meer. Daarvoor in de plaats komt het Boek, de Schrift.
God heeft Zijn volk gestraft maar heeft Zijn volk niet vergeten en hun geklaag gehoord. God wil niet de dood van de zondaar. Daarom vergeeft Hij die berouw heeft en tot inkeer is gekomen.
Het Babylonische rijk wordt veroverd door de Perzen. De Perzische koning Kores geeft de Joden de opdracht terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. De ballingschap is ten einde. Wie vol droefheid geweest is, moet juichen en zich verblijden.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 maart 2018

Exodus 20, 1-17
Johannes 2, 13-25

In de Bijbel wordt gesproken over de Wet en de tien geboden. Wij denken dan onwillekeurig aan geboden, verboden, wetboek van strafrecht, justitie en rechters. Daarom spreken we liever over de tien Woorden, wegwijzers naar een samenleving in vrede en gerechtigheid, samen op weg met God. Wie zijn eigen weg gaat, verdwaalt in het leven, verliest zich in allerlei verslavingen en mist de weg die naar zingeving leidt, naar de diepste ontplooiing van de mens in de richting van de ander en van God. De tien Woorden niet als een juk, een keurslijf maar als bevrijding. De Bijbel is geschreven vanuit de oerervaring van het Joodse volk en die is dat God Zijn volk bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte. Daarmee beginnen de tien Woorden. God heeft zijn volk bevrijd omdat Hij een verbond gesloten heeft met zijn volk, een unieke relatie die het vereren van andere goden uitsluit. De Ene God is anders dan de andere goden en mag niet uitgebeeld worden, kan niet gevangen worden in een beeld. Wij kunnen God niet begrijpen, niet in de greep krijgen en Hem ook niet manipuleren. Hij is van een andere dimensie. Uit eerbied voor het mysterie van God mogen wij Zijn naam niet ijdel, te pas en te onpas gebruiken. Vanuit de oerervaring van bevrijding mogen we de schepping zien als een bevrijding uit de chaos. God schept licht en spreekt Zijn neen uit over de duisternis. Zo mogen wij evenals God rusten op de zevende dag, de sabbat die door God geheiligd is, apart gesteld, een bijzondere dag aan de Heer gewijd. Het woord van God klinkt en geeft ons kracht voor de nieuwe werkweek. De sabbat, onze zondag, een dag van recreatie, letterlijk herschepping. Eerbied voor God maar ook voor onze ouders die ons van U ontvangen hebben om ons de weg voor te leven naar U toe.
De eerste vijf Woorden in betrekking tot God en de vijf laatste als eerbied voor het leven, de relatie, het bezit van de ander en zijn goede naam. Mijn relatie tot de ander in zijn uniekheid verwijst naar het mysterie van God.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 25 feb 2018

Genesis 22, 1-2 9a 10-13 15-18

Marcus 9, 3-10

Voor het Joodse volk is de top van een hoge berg een belangrijke plek. Op de top vinden belangrijke gebeurtenissen plaats. Wie geruime tijd boven op een berg heeft vertoefd ervaart niet alleen de schoonheid van het uitzicht maar ook de enorme rust en de stilte van de eenzaamheid. Eenmaal boven op de top aangekomen kom je vooral jezelf tegen. In je eenzaamheid kom je oog in oog te staan met het diepste dat in je leeft. Ik kan me voorstellen dat de uitdaging fascinerend is om de lange moeilijke klim naar boven vol te houden, het gevecht met de elementen maar vooral het gevecht met jezelf. Voor gelovige joden heeft dat volhouden en dat gevecht te maken met de ervaring dat God nabij komt. Door dat geworstel heen ontstaat er in je ruimte waarin belangrijke vragen naar boven komen. Vragen als: wie wil ik zijn, hoe wil ik leven, wat is voor mij de moeite waard? Ik zou het ook zo kunnen zeggen. Als je boven op de top gezien hebt hoe een mens als Jezus het gevecht heeft volgehouden en zo tot klaarheid is gekomen, ga dan naar beneden en zet daar voor jezelf het gevecht voort. Je hebt gezien hoe het kan, misschien kun jij het ook.

J. Smier
 

Overdenkingen 4 februari 2018

5e zondag door het jaar

Job 7, 1-4 en 6-7
Marcus 1, 29-39

Job is vroom, oprecht en godvrezend. Hij is rijk gezegend door God en prijst God daarvoor. Dan is het niet moeilijk om God te prijzen en te danken. De satan stelt aan God voor om Job al zijn bezit af te nemen. Dan zal hij U openlijk vaarwel zeggen. God geeft het bezit van Job in de macht van satan maar van Job zelf moet hij afblijven. En zo gebeurt het dat Job al zijn bezit en zijn kinderen verliest. Hij is in rouw en zegt: “de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zei geprezen”. Nu krijgt de satan toestemming ook Job zelf te beproeven als hij hem maar in leven laat. Job komt onder de zweren te zitten. Zijn vrouw vraagt of hij nu nog volhardt in zijn vroomheid. Maar hij noemt zijn vrouw een zottin. “Zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet”. Job zondigt niet met zijn lippen. Wel vervloekt hij de dag van zijn geboorte. De vrienden van Job komen hem bezoeken maar stellen hem teleur. Job moet wel gezondigd hebben want God laat een onschuldige en rechtvaardige niet lijden. Job houdt vast aan zijn rechtvaardigheid ongeacht wat zijn vrienden zeggen. Job wil zich tenslotte voor God verdedigen en zijn onschuld bepleiten. God antwoordt Job vanuit en storm en zegt: wie is het toch die het raadsbesluit verduistert met woorden zonder verstand. Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het indien je inzicht hebt. Dan volgt een magistraal gedicht over de schepping Overdonderd door Gods almacht in de schepping, wordt Job klein. Zie, ik ben te gering, hoe zal ik u bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Ik verkondigde zonder inzicht dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. Slechts van horen zeggen, had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog u aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete. Daarop krijgt Job alles in veelvoud terug. Ook wij vragen zo vaak aan God: waarom? Op de grote levensvragen is geen antwoord. Het antwoord ligt verborgen in het mysterie van God.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 28 januari 2018

Deuteronomium 18, 15-20
Marcus 1, 21-28

Vandaag lezen we in het evangelie dat er alle reden tot zelfvertrouwen kan zijn. Marcus vertelt ons namelijk over de stem van het goede die het altijd zal winnen van de stem van het kwade. Het is deze stem in de persoon van Jezus die de onreine geest in de bezeten man tot zwijgen brengt: “Stil en ga uit van hem”. En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot geschreeuw van hem weg. Soms lijkt het er meer op dat het geschreeuw van de onreine geest blijft overheersen. Het is daarom dat wij op de dag des Heren bij elkaar komen om te luisteren naar de stem van het goede. Het is daarom dat wij de dag des Heren eren om geloof en zelfvertrouwen te winnen en te bewaren. Tevens om te kunnen ervaren dat wij belangrijk zijn in onze activiteiten van alle dag. Het is daarom zeker niet toevallig dat de stem van Jezus op deze dag klinkt in het evangelie van Marcus. Met het blijven eren van de dag des Heren, kan het gebeuren dat een bezorgde stem zal zeggen dat de mens door zijn negatief ingrijpen in de natuur belangrijk is maar ook dat de mens juist belangrijk is in het duurzaam voortbestaan van de aarde. Want vanuit geloven en vertrouwen op de stem van het goede en het rechtvaardige kunnen onreine geesten tot zwijgen worden gebracht.


J. Smiers
 

Overdenking 14 januari 2018

2e zondag door het jaar

1 Samuël 3, 3b-10. 19
Johannes 1, 35-42

De jonge Samuël is uit dankbaarheid door zijn moeder Hanna opgedragen aan God en leeft onder toezicht van de oude priester Eli in de tempel. Het leven van de jonge Samuël staat in schril contrast met dat van de twee priesterzonen van Eli. Ze hebben maling aan de voorschriften voor het brengen van brandoffers en willen het beste vlees nog voor het geofferd is, zelf hebben. Ze slapen met de vrouwen die dienst doen bij de ingang van tent der samenkomst. Als Eli hen daarover aanspreekt, luisteren ze niet naar hun vader.
Wie wel luistert, is Samuël. Als hij ’s nachts een stem hoort, gaat hij naar Eli toe en zegt: “hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen”. Eli heeft hem niet geroepen en zegt dat hij weer moet gaan slapen. Dit tafereel herhaalt zich drie keer en dan pas heeft Eli door dat het God geweest is die Samuël geroepen heeft. “Ga weer naar bed en als God je weer roept, zeg dan: spreek Heer want uw knecht hoort”.
Twee mensen, de oude Eli en de jonge Samuël. De eerste letterlijk en figuurlijk ingedommeld en niet meer alert op de stem van God. De tweede, jong, alert en met een luisterend oor die God en zijn stem niet kent omdat God zich nog niet aan hem heeft geopenbaard.
Ook in het evangelie van Johannes klinkt een stem die mensen in beweging zet. Op een dag ziet Johannes de Doper Jezus komen en zegt: “zie het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt”. De volgende dag staat Johannes weer bij de Jordaan met twee van zijn discipelen. Als hij Jezus ziet gaan, zegt hij:” zie het lam Gods”. Als de twee dit horen, volgen ze Jezus. En zij vragen: Meester, waar houdt Gij verblijf? Jezus is thuis in de dingen van zijn Vader, de Schrift die Hij uitlegt. Zij herkennen de Messias.
Alleen als wij stil worden, kunnen wij de innerlijke stem, de stem van God horen. Dan is het ook mogelijk dat als God ons roept, wij met de volle inzet kunnen antwoorden: “hier ben ik”.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 7 januari 2018

Jesaja 60, 1-6
Mattheüs 2, 1-12

We vieren het feest van Epifanie, de verschijning van de Heer. De lezingen staan in het teken van het licht. De eerste lezing is uit Deuterojesaja, die leefde in de ballingschap in Babylon. Het Joodse volk is weggevoerd, Jeruzalem en de tempel zijn verwoest. Maar God troost zijn volk en zegt dat zijn lijdenstijd volbracht is. De ballingen mogen terugkeren. Het vertrapte Jeruzalem zal herbouwd, verheven worden. Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer gaat over u op. De volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. Ze brengen hun schatten mee. Uit Scheba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij meebrengen en de roemrijke daden van de Heer blij verkondigen. De volken, de heidenen, trekken op naar Jeruzalem.
Met Kerstmis openbaart de Heer zich aan de Joden, aan de herders. Met Epifanie vieren wij dat de Heer zich openbaart aan de niet -Joden, aan ons. Magiërs uit het Oosten staan symbool voor de volken. Ze hebben de ster van de pas geboren koning gezien en gaan naar Jeruzalem en vragen waar de koning is. Want een koning moet toch in de hoofdstad aan het hof geboren zijn. Koning Herodes hoort hiervan en schrikt. Schriftgeleerden worden geraadpleegd en vertellen dat de Christus geboren moet worden in Bethlehem. De magiërs gaan weg en de ster die zij in het Oosten gezien hebben, gaat hen voor naar Bethlehem en blijft staan op de plaats waar het kind is. We mogen denken aan de wolk en de vuurkolom die het Joodse volk voorging door de woestijn. De magiërs komen bij het kind, aanbidden het en geven hun schatten, goud, wierook en mirre. Verbaasd zullen ze geweest zijn, een koning niet in een paleis maar in een achterafje in een stal, niet ontgoocheld maar vol vreugde. Weg van Jeruzalem, de stad van Herodes, van aardse macht, worden we verwezen naar Bethlehem, de stad van David, naar een kind dat de Vorst van de vrede is. Als wij dit kind volgen, zal Jeruzalem pas werkelijk de stad van vrede, sjaloom worden.


J. Verhoeven
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd