Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 11 november 2018

1 Koningen 17, 10-16
Hebreeën 9, 24-28
Marcus 12, 38-44

Ondanks je armoede toch nog kunnen geven. Daar gaat het in de
lezingen van deze zondag over. God geeft aan Elia de opdracht naar
Sarfath te gaan. Daar zal een weduwe voor hem zorgen. Bij de stadspoort
ziet hij een weduwe hout sprokkelen en vraagt haar wat water voor hem
te halen. Als ze terug komt vraagt Elia om wat brood. Dat zal moeilijk
gaan. Ze heeft nog een beetje meel en wat olie. Daarmee wil ze een
broodje bakken voor haar zoon en zichzelf.
Als dat op is, moeten ze maar sterven. Elia zegt: “vrees niet, ga naar
huis, bak een kleine koek en breng die mij. Later kun je voor jezelf
en je zoon een andere klaarmaken. Want zo zegt de Heer, de God
van Israël: het meel in de pot zal niet opraken en de olie in de kruik
zal niet ontbreken tot op de dag dat de Heer regen op de aardbodem
geven zal”. De weduwe gaat naar huis en doet wat Elia haar gezegd
heeft. Inderdaad, het meel en de olie raken niet op. Wat heeft deze
vrouw een groot geloof en vertrouwen in het woord van de profeet
en de God van Israël. We denken aan Abraham die ondanks alles
vasthoudt aan zijn geloof. Als Izak vraagt waar het offerlam is, antwoordt
Abraham: “De Heer zal er in voorzien”. Vertrouwen in God die is, ”Ik zal er
zijn”. God die opkomt voor de zwakken, Hij die de hulpeloze helpt.
Dit geloof moet ook de arme weduwe gehad hebben die haar laatste geld,
haar hele levensonderhoud in de offerkist van de tempel werpt. Zij, die
alles geeft aan God , zal van Hem ook weer ontvangen. Wie geeft wordt
niet armer maar innerlijk rijker. Geven, loslaten, is belangrijker dan
hebben, vergaren en vasthouden van rijkdom en bezit. Bezit en macht
leiden tot oorlog. Wie geeft, brengt vrede in de wereld en zal vrede
hebben in zijn eigen hart.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 november 2018

Deuteronomium 6, 2-6 Hebr. 7, 23-28 Mc. 12, 28b-34

Mozes drukt het Joodse volk op het hart dat als het in het Land komt, het de geboden
van God nauwgezet moet blijven onderhouden. God is met zijn volk meegetrokken door
de woestijn en heeft het geleid naar het Land. Wonen in het Land is niet het eindpunt.
Daar begint het pas. Als het de mens goed gaat, heeft hij snel de neiging God te
vergeten. De voorwaarde om in vrede te kunnen wonen in het Land onder de
bescherming van God is zijn geboden te onderhouden en trouw te zijn aan zijn Verbond.
Het grootste gebod en tevens geloofsbelijdenis wordt uitgesproken in het Sjema
Jisra’eel, het belangrijkste gebed van het Jodendom. “Hoor (besef), Israël: de Heer is
onze God; de Heer is de enige. Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart
en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht”. Van deze woorden moet de mens vol
zijn. Bij het gebed bindt de vrome Jood nog steeds een doosje met onder andere deze
tekst op zijn arm en zijn voorhoofd en heeft een kokertje aan de deurpost, de mezoeza.
Van de liefde voor de Thora spreekt ook het Hooglied: ”Leg mij als een zegel aan uw
hart, als een zegel aan uw arm”.
Gij zult de Heer uw God liefhebben. Jezus voegt een tweede gebod toe. Gij zult uw
naaste liefhebben als uzelf. In het eerste gebod ligt het tweede al besloten. De liefde tot
God krijgt pas gestalte in de liefde tot de naaste. “Wat gij aan minste van mijn broeders
hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan”. Drie relaties zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Mijn relatie tot de ander, tot God en tot mijzelf. Je naaste liefhebben is
moeilijk maar jezelf liefhebben vaak nog moeilijker. Je kunt pas wat betekenen voor de
ander als je jezelf kunt aanvaarden en vrede hebt met je verleden. “Al veroordeelt ons
hart ons, God is groter dan ons hart” (1 Joh. 3,20).

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 28 oktober 2018

Jer. 31 7-9 Hebr. 5 1-6 Mc. 10. 46-52

Bij de lezing van het verhaal van de blinde Bartimeüs vallen drie dingen heel sterk op. De man schreeuwt naar Jezus om medelijden; Jezus vraagt: ‘wat wilt u dat Ik voor u doe?’; Jezus zegt: ‘uw geloof heeft u gered’
Een mens kan door vreselijk lijden getroffen worden. Deze man is blind en daardoor moet hij bedelen. Hij kan niet deelnemen aan het normale sociale leven en is voor zijn levensonderhoud afhankelijk van de goodwill van anderen. Vanuit zijn grote lijden schreeuwt hij tot Jezus, die hij ‘Zoon van David‘ noemt, in de Bijbelse traditie de naam van de Messias die het volk verwacht. Hij is niet tegen te houden, ook niet wanneer men hem gebiedt te zwijgen. Steeds luider schreeuwt hij zijn pijn uit. Jezus hoort het roepen en gaat erop in. De man wordt geroepen en dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus vraagt hem wat Hij voor die man kan doen. We zien hier Jezus als de dienaar. Hij had nog maar net verklaard dat? ?de Mensenzoon niet gekomen was om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen (vorige week) en Hij voegt de daad bij het woord. En de man antwoord vanuit zijn geloof. Het is niet Jezus die hem geneest van de blindheid, maar het geloof van de man!??????????????
Ook wij kunnen getroffen worden door een immens lijden – fysiek of psychisch – waardoor we radeloos worden en God smeken om hulp. Soms lijkt het alsof Hij het niet hoort, mensen zeggen dan dat we ons maar bij ons lot moeten neerleggen. Marcus geeft ons de raad niet op te houden tot God te roepen. Hij zal ons horen. Maar, als Hij dan luistert, wat vragen we Hem en geloven we dat Hij het ons zal geven? De blinde vroeg om te mogen zien. Vragen we Hem om ons te helpen te zien waar het op aankomt in ons eigen leven, dat we de kracht mogen krijgen om – ondanks alles wat ons overkomt – te blijven geloven in het Leven en zijn Liefde.

Pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenking 21 oktober 2018

Jes. 53, 10-11 Hebr. 4, 14-16 Mc. 10, 35-45

Vriendjespolitiek! Ik doe iets voor jou, jij doet dan iets voor mij. Het speelt al sinds mensenheugenis op alle niveaus in de samenleving. In de politiek (daar komt het woord trouwens vandaan), in het bedrijfsleven, maar ook in het dagelijkse leven. Je verwacht dat iemand zorgt dat je een vrijkaartje krijgt voor het theater omdat jij hen getrakteerd hebt op een heerlijke maaltijd in een duur restaurant. Wat een ontgoocheling als je dan niet krijgt wat je verwacht hebt.
Zo ook met Jakobus en Johannes. Zij zijn met Jezus meegetrokken, ze helpen Hem bij zijn tocht. Waarom zou Hij hen dan niet een eerste plaats bezorgen in dat Rijk van God dat Hij aankondigt? Het is dus niet vreemd dat dit gebeurt. Wij zouden het misschien ook wel doen. Begrijpelijk is ook de reactie van de andere leerlingen. Is het jaloezie? Niemand neemt het dat anderen achter hun rug voorbijkruipen. De tien leerlingen doen toch net hetzelfde als Jakobus en Johannes? Ze hebben dus evenveel recht op die plaats!
Jezus geeft hen allemaal een lesje in nederigheid. Je zal maar je plaats verwerven als je de beker drinkt die Hij drinkt, als je het lijden dat Hij door moet ook wil doorstaan. Het gaat niet om macht, maar om dienstbaarheid. De weg naar echt geluk is nooit een gemakkelijke weg. Als je een top wil bereiken moet je vanuit het dal naar omhoog klimmen, het steile bergpad op. Er is geen kabelbaan die je omhoogvoert. Je kan niet van anderen verwachten dat zij steeds alles voor jou doen. Met heersen over anderen komt je er niet. Je moet het op eigen kracht doen. Beter nog is het als je het samen doet, mekaar bij de hand neemt en samen je weg zoekt uit het diepe dal naar een betere plek. In dit samen op weg gaan ontdek je dat dienstbaarheid de enige weg is om tot het geluk te geraken. En ook daarbij is het God zelf die jou de kracht hiertoe geeft.

pastor Dominiek Deraeve sdb
 

Overdenkingen14 oktober 2018

28e zondag door het jaar

Wijsheid 7, 7-11
Hebreeën 4, 12-13
Marcus 10, 17-39

In het N.T. komen de rijken er niet goed vanaf getuige de verhalen van de
rijke dwaas, de rijke man en de arme Lazarus en de rijke jongeling, het
verhaal van deze zondag. Rijk zijn op zich is niet slecht. De vraag is: wat
doe je met je rijkdom en wat is je levenshouding? Jezus vertelt de parabel
van een rijke man wiens land een grote oogst heeft opgebracht. Hij wil
grotere schuren bouwen om alles te kunnen opslaan. De man heeft een
voorraad voor vele jaren. Hij wil nu rusten, eten, drinken en vrolijk zijn.
God zal nog in dezelfde nacht zijn ziel halen. Waarom? Omdat hij zich blind
gestaard heeft op zijn bezit. Ik ben binnen en mij kan niets gebeuren. Het
gevaar dreigt dat het leven van de rijke alleen nog maar draait om bezit,
hebben en nog meer hebben, een tunnelvisie waarin geen oog meer is
voor iets anders.
De parabel van de rijke man en de arme Lazarus laat ons zien hoe
iemand in grote weelde kan leven en geen oog heeft voor de ellende
van een mens op zijn stoep. In veel landen vandaag de dag geen parabel
maar dagelijkse werkelijkheid.
En dan het verhaal van de rijke jongeling die tot Jezus komt en vraagt
wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven. Hij houdt zich strikt
aan het naleven van de tien Geboden en is eigenlijk een voorbeeldige
gelovige. Jezus krijgt hem lief. Maar één ding ontbreekt er aan. Ga heen,
verkoop alles wat je bezit en geef het aan de armen en je zult een schat
in de hemel hebben. Kom dan terug en volg Mij. De jongeling ging bedroefd
heen want hij bezat veel.
Ook wij bezitten veel. Om ons in gelovige zin als mens ten volle te
kunnen ontplooien, moeten we kunnen loslaten, de geslotenheid van
bezit en hebben maar in de openheid naar de ander in zorg en liefde
ligt het wezen van de mens.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 7 oktober 2018

27e zondag door het jaar

Genesis 2, 18-24
Hebreeën 2,9-11
Marcus 10, 2-16

We kennen het scheppingsverhaal dat in de Paaswake wordt gelezen. Uit het
duister van de chaos gaan we naar het licht. God schept, brengt scheiding
aan tussen licht en donker, het natte en het droge. Hij geeft alles zijn vaste
plaats. Als bekroning schept Hij naar zijn eigen beeld man en vrouw op de
zesde dag. Op de zevende dag rust God uit van alles wat Hij gemaakt heeft.
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden
( Genesis 2, 4a). Direct hierna volgt een ander scheppingsverhaal uit een
oudere traditie. De gewassen en de mens zijn er nog niet. Een damp stijgt
op uit de aarde en bevochtigt de aardbodem. Uit het stof van de aarde
formeert God de mens en blaast de levensadem in zijn neus en zo wordt
hij een levend wezen. De mens wordt niet geschapen naar het beeld van
God maar veel intiemer. De geest van God wordt in hem geblazen. In dit
verhaal staat de mens centraal en wordt eerder geformeerd dan de planten
en de dieren. Uit het stof worden ook de dieren van het veld en de vogels
gemaakt. God brengt ze bij de mens die ze een naam mag geven. Door een
naam wordt het een van het ander onderscheiden, het begin van kennis.
Er zijn zoveel levende wezens om de mens heen en toch voelt hij zich alleen.
Niemand spreekt hem aan, geeft hem een naam. Dan maakt God uit de rib
van de mens de vrouw. “Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees
van mijn vlees”. Genomen uit de man zal zij daarom “mannin” heten.
Zoals de vrouw uit de zijde van de man ontstaan is, zo is volgens de
symboliek van de Kerkvaders de Kerk ontstaan uit de zijde van Christus
toen Hij op het kruis doorstoken werd en bloed en water uit zijn zijde
kwamen. De Kerk, zo verbonden met haar Bruidegom, is het Lichaam
van Christus.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 30 september 2018

Numeri 11, 25-29
Jakobus 5, 1-6
Marcus 9, 38-48

Een profeet spreekt - en handelt - in naam van God. Dat is letterlijk wat de naam
‘profeet’ betekent: spreken namens ... In de praktijk betekent het dus dat die persoon in
woord en daad de Geest van God uitstraalt, ademt. In de Bijbelse traditie worden
mensen door God voor deze taak uitgekozen en gezalfd. Maar wat dan te doen met
mensen die officieel geen profeet zijn, maar zich in de praktijk wel als zodanig
gedragen? Voor sommigen van ons is dat een groot probleem.
In de eerste lezing en in het evangelie horen we daar een voorbeeld van.
De ene keer zijn het Eldad en Medad die afwezig waren toen de taak van Mozes werd
verdeeld over zeventig wijzen, ‘oudsten’, maar die nu toch het volk aan het helpen zijn
door verstandige adviezen te geven (en waar nodig recht te spreken, ‘juridische’
besluiten te nemen waar mensen er samen niet uitkomen). Dát is profetisch: mensen op
het goede spoor brengen. Maar Jozua, de helper en latere opvolger van Mozes, is
verontwaardigd dat zij dit doen.
En in het evangelie is het een naaste helper van Jezus, de apostel Johannes, die
bezwaar maakt als iemand in Jezus’ naam demonen uitdrijft, terwijl hij officieel geen
volgeling is.
Hoe verschillend is de reactie van Mozes en Jezus enerzijds (‘ik zou willen dat iedereen
dat deed’) en hun leerlingen anderzijds. Zouden die laatsten jaloers zijn? Bang om hun
eigen macht en positie kwijt te raken? Zichzelf tekort voelen schieten omdat zij het zelf
niet deden?
Wij zijn allemaal geroepen om profetisch te leven, om in ons leven van elke dag Gods
goede Geest uit te dragen. Wie we ook zijn, wat we ook doen, welke functie of rol we in
het leven ook hebben (of niet!), het is aan ons om te luisteren naar Gods Woord en
daarnaar te leven, in woord en daad.
pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 23 sep. 2018

25e zondag door het jaar

Wijsheid 2, 12.17-20
Jakobus 3, 16 - 4,3
Marcus 9, 30 - 37

Vandaag kondigt Jezus zijn leerlingen voor de tweede maal zijn lijden aan, en opnieuw ontmoet Hij onbegrip. Sterker nog, vandaag laten zijn leerlingen zien dat ze met heel andere dingen bezig zijn. Als wij daarnaar luisteren, loont het de moeite om te bedenken hoe dat bij ons gaat ... als leerlingen van Jezus. Alle leerlingen blijken hun eigen verwachtingen van Jezus te hebben. En Jezus neemt de tijd om zijn vrienden gaandeweg mee te nemen. Hij snapt dat zij (wij!) tijd nodig hebben en innerlijke weerstand moeten overwinnen om het lijden te accepteren. Het lijden is geen keuze van Jezus, niet voor zijn eigen leven en niet voor ons. Het boek Wijsheid leert ons dat goedheid, in Gods naam verricht, ook weerstand kan oproepen en zelfs gemeen geweld. En Jakobus waarschuwt ons voor het geweld van misschien wel het scherpste wapen: de tong. Jaloezie vernietigt alle wijsheid en creëert bitterheid, strijd en zelfs moord, letterlijk of figuurlijk.
Toch is het lijden voor Jezus geen reden om van zijn koers af te wijken en God ontrouw te worden. Daarom wees Hij vorige week Petrus stevig terecht. Deze keer krijgt Hij in eerste instantie geen reactie, en als Hij later vraagt waar ze het onderweg over hadden, schamen ze zich en blijft het stil. De schaamte is goed en terecht, want ze hadden onderweg ruzie gehad over wie de grootste was. Schaamte is goed omdat het altijd ook de kans biedt op bekering en verbetering. Jezus wil ze daarbij helpen, en zet daarom een kind in hun midden: ‘Wie een kind ontvangt, ontvangt Mij, en daarmee de Vader die Mij gezonden heeft.’ En Hij geeft al zijn leerlingen - toen en nu - een richtlijn mee om zijn leerling te zijn: ‘Wie de eerste wil zijn, moet dienaar van allen zijn.’ En zo zal Hij het ons zelf ook blijven voorleven.

pastor Colm Dekker
 

Overdenkingen 16 sept 2018

24e zondag door het jaar

Jesaja 50, 5-9a
Jacobus 2, 14-18
Marcus 8, 27-35

Vroeger moest je de catechismus in vraag en antwoord uit je hoofd leren
en vaak dagelijks of toch zeker twee keer per zondag naar de kerk,
zondermeer aannemen wat de Kerk zei en handelen volgens haar
voorschriften. Gehoorzaamheid aan de Kerk gold meer dan de eigen
verantwoording. Op die manier was je een goed katholiek en een goede
gelovige. Soms gemakkelijk. De weg werd voor je uitgestippeld en de
herder wist wat goed was voor zijn schapen. Geloven was het voor waar
aannemen op gezag van een hogere autoriteit.
Met het 2e Vaticaans concilie in het begin van de jaren zestig van de
vorige eeuw werden de bakens verzet. Oude zekerheden waren niet meer
zo zeker, tot ongenoegen van velen. Er kwam beweging in de Kerk. In de
oude kerkstructuur van bovenaf kwam ruimte voor de Kerk van onderaf.
De Kerk begint bij de basis, bij de gelovigen, de kerkgangers. Die maken
de Kerk tot Kerk, niet de hiërarchie van bisschoppen. Dat betekent dat
de eigen verantwoording een serieuze zaak wordt. Geloven niet als een
sleur, omdat het moet, maar als een persoonlijke keuze waar ik mij totaal
voor wil inzetten. In het geloof ben je nooit een passieve toeschouwer
maar als het goed is, ben je er altijd ten volle bij betrokken, met heel je
hart, heel je ziel en al je krachten. Geloven is een werkwoord.
Daar gaat het ook over in de brief van Jacobus. Ik kan zeggen dat ik
geloof maar dat moet zichtbaar worden in mijn werken, in mijn
levenshouding, hoe ik met mensen omga. Jezus vraagt: “Wie zeggen
de mensen dat Ik ben”.
Petrus geeft het goede antwoord: “Gij zijt de Christus”. Maar weet Petrus
wat dat inhoudt? Als Jezus vertelt dat Hij moet lijden dan wil Petrus daar
niets van weten. Leven vanuit het geloof dat Jezus ons heeft voorgeleefd,
is geen gemakkelijke weg maar wel de meest waarachtige, rechtvaardige
en liefdevolle.

J. Verhoeven
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd