Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 8 april 2018

Handelingen 4, 32-35
Johannes 20, 19-31

In deze Paastijd is het de bedoeling dat wij het verhaal van Pasen, van de opstanding, (weer) een plaats geven in ons eigen leven, dat wij in onszelf opstanding ervaren. Dat is niet eenvoudig en ook voor de eerste christenen was niet alles direct duidelijk. In de Paasnacht hebben we het verhaal van de opstanding naar Marcus gehoord. Vrouwen zijn bij het graf gekomen, de steen is weggerold, een jongeman zit in het graf en zegt dat de gekruisigde opgewekt is. Zij moeten tegen de discipelen zeggen dat Jezus te vinden is in Galilea. “De vrouwen vluchtten van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets want ze waren bang”. Dat is het oorspronkelijke slot van het vroegst geschreven evangelie van Marcus, zeer menselijk en realistisch.
Deze menselijke twijfel is er ook in het verhaal van de zogenaamde ongelovige Thomas dat we vandaag lezen. Jezus verschijnt op de avond van de opstanding aan de discipelen en Thomas is er niet bij. Het eerste wat Jezus zegt is “vrede zij met U “ en toont de tekenen van Zijn lijden. De discipelen herkennen de Heer en zijn blij. Het lijden mag niet vergeten worden maar hoeft ons ook niet terneer te drukken. We mogen vrede hebben met het verleden. Jezus is de Gekruisigde en Opgestane.
Nogmaals wenst Jezus zijn discipelen vrede. Zoals God Jezus gezonden heeft, zo zendt Jezus zijn discipelen, blaast over hen de Heilige Geest en geeft hen de kracht zonden te vergeven. Het verleden hoeft geen last meer te zijn. We mogen met een schone lei opnieuw beginnen. Er mag vrede zijn in ons hart.
Thomas was er niet bij. De discipelen vertellen hem dat zij de Heer gezien hebben. Thomas wil pas geloven als hij de tekenen van het lijden gezien en aangeraakt heeft. Een week later zal dat gebeuren.
Eerst zien en dan geloven? Alleen de Heilige Geest schenkt ons de kracht van het geloof om in de Gekruisigde de Verrezene te herkennen. Het mysterie van Pasen kunnen wij slechts ervaren als wij zien met de ogen van het geloof.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 25 maart 2018

palmzondag

Marcus 11, 1-10
Jesaja 50, 4-7
Marcus 14, 1 - 15, 46

Palmzondag is bij uitstek de dag met twee gezichten. Enerzijds is er de feestelijke intocht in Jeruzalem, waar Jezus wordt binnengehaald als de Messias. ‘Hosanna! Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren; geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!’
Het Joodse volk dat snakt naar bevrijding, vertolkt een verlangen dat van alle tijden en plaatsen is. O, dat er toch een einde mag komen aan alle ellende, dat er nu toch eindelijk vrede mag zijn!
En velen van hen hebben zo naar die vervulling verlangd, dat zij het in deze profeet uit Nazaret hebben herkend. Zoals hij sprak en deed, zoals hij aandacht had voor iedereen die in nood zat, de prostituee en de tollenaar, de melaatse en de weduwe die haar kind verloor: hij gaf iedereen nieuwe moed, een nieuw perspectief, nieuw leven. Hij hielp een wereld creëren zoals God die van in den beginne voor alle mensen bedoeld had, of minstens gaf hij er toch een doorkijkje naar.
Dus nu hij zo vlak voor Pasen in Jeruzalem binnenkomt, gonst het door heel de stad: ‘Zou hij dan misschien ....?’, ‘Zou het dan eindelijk toch eens ....’ en anderen zeggen en zingen het hardop: ‘Hij is de Messias!’
En anderzijds is er het lijdensverhaal, waarin Jezus door iedereen in de steek gelaten wordt. Zelfs zijn leerlingen verraden en verloochenen hem, vluchten weg en laten hem alleen aan het kruis sterven. De dienaar des Heren is zelf niet weggevlucht. Hij heeft ons niet in de steek gelaten met al ons leed en al ons kwaad, maar Hij heeft zijn kruis op zich genomen.
Wij worden deze Goede Week uitgenodigd om Hem te volgen langs Witte Donderdag en Goede Vrijdag naar het grote mysterie en de vreugde van het feest van Pasen: de dood heeft niet het laatste woord. Binnen in de intimiteit van Jezus en zijn Vader blijkt Gods eeuwige trouw: Hij is verrezen!
Ook de Messias moet door het lijden heen. En wij? Hem achterna ...
pastor C. Dekke
 

Overdenkingen 18 maart 2018

Jeremia 31, 31-34
Hebreeën 5, 7-9
Johannes 12, 20-33

De vijfde zondag van de Veertigdagentijd bereidt ons weer verder voor op de weg naar Pasen.
Dit jaar is de eerste lezing telkens een verbond dat God met zijn volk sluit. Vandaag horen we dit uit de mond van de profeet Jeremia. Het gaat niet om strakke regels, maar om de verbondenheid van hart tot hart. God schrijft zijn verbond in ons hart.
Ook Jezus zelf bereidt ons alvast voor op wat komen gaat. Hij vertelt ons dat Hij doodsbang is. En toch vraagt Hij niet dat dit ogenblik aan Hem voorbijgaat, want - zegt Hij - juist hiervoor is Hij gekomen. Als een graankorrel zal Hij in de aarde sterven om zo vrucht te dragen voor velen.
In de Hebreeënbrief wordt het ons uitgelegd: Priesters dragen namens en voor het volk offers aan God op. Dat deden de (hoge)priesters in de tempel met lammeren en andere dieren. Als priester brengt Jezus een ander offer: Hij geeft zichzelf omwille van alle mensen. Hij gaat niet door het voorhangsel van de tempel naar het Heilige der Heiligen, maar Hij gaat de dood door om bij God voor ons te bemiddelen. Hij heeft ons leven ten volle gedeeld, tot en met alle angst en pijn aan toe, en kan dus al onze zwakheid en onze fouten meevoelen. Zo is Jezus de volmaakte (hoge)priester: intiem verbonden met God, zijn Vader en tegelijkertijd volledig solidair met ons.
Wij worden uitgenodigd om met Hem mee te trekken. Zo mag deze tijd van Veertig dagen ons voorbereiden om zelf ook steeds meer mensen van liefde te zijn, verbonden met God en met mensen, om tot het volle leven te komen, dat we met Pasen mogen vieren en ontvangen.

pastor C. Dekker
 

Overdenkingen 11 maart 2018

2 Kronieken 36, 14-16, 19-23
Johannes 3,14-21

Deze vierde zondag in de Veertigdagentijd heet zondag Laetare naar de oude introïtus Laetare, Jerusalem: Verheug u, Jeruzalem: houdt een bijeenkomst, gij allen, die deze stad liefhebt: verheugt en verblijdt u, gij die vol droefheid geweest zijt: nu moet gij juichen en u verzadigen aan de troost die zij, moeder, u schenkt ( Jesaja 66,10). Het begin van de eerste lezing uit het boek Kronieken geeft geen reden tot vreugde. Hier wordt het dieptepunt in de geschiedenis van het Joodse volk beschreven, de deportatie naar Babel. God heeft door middel van de profeten Zijn volk steeds gewaarschuwd. Houd je aan het verbond met God en aanbidt geen andere goden. Leef volgens de leefregels van de tien Woorden. Bekeer je voordat het te laat is. Het volk en de priesters hebben de waarschuwingen in de wind geslagen, zijn hun eigen weg gegaan en hebben het huis van de Heer, de tempel, onrein gemaakt. Dan is voor God de maat vol en trekt Hij zijn beschermende hand terug en geeft het volk over aan zijn vijanden. Rond 600 v. Chr. is de grootste bedreiging voor Jeruzalem de opmars van het Babylonische rijk. Jeruzalem is steeds de dans ontsprongen maar wordt in 586 v. Chr. ingenomen. De bevolking wordt weggevoerd naar Babel, Jeruzalem en de tempel verwoest. In Babel komt het volk tot inkeer. “Aan de stromen van Babylon zaten wij en weenden”. Het volk denkt terug aan Jeruzalem. Daar in de ballingschap zijn de oude verhalen van het Joodse volk voor een groot deel opgeschreven en geredigeerd. Het hart van het Jodendom, de tempel, is niet meer. Daarvoor in de plaats komt het Boek, de Schrift.
God heeft Zijn volk gestraft maar heeft Zijn volk niet vergeten en hun geklaag gehoord. God wil niet de dood van de zondaar. Daarom vergeeft Hij die berouw heeft en tot inkeer is gekomen.
Het Babylonische rijk wordt veroverd door de Perzen. De Perzische koning Kores geeft de Joden de opdracht terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. De ballingschap is ten einde. Wie vol droefheid geweest is, moet juichen en zich verblijden.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 maart 2018

Exodus 20, 1-17
Johannes 2, 13-25

In de Bijbel wordt gesproken over de Wet en de tien geboden. Wij denken dan onwillekeurig aan geboden, verboden, wetboek van strafrecht, justitie en rechters. Daarom spreken we liever over de tien Woorden, wegwijzers naar een samenleving in vrede en gerechtigheid, samen op weg met God. Wie zijn eigen weg gaat, verdwaalt in het leven, verliest zich in allerlei verslavingen en mist de weg die naar zingeving leidt, naar de diepste ontplooiing van de mens in de richting van de ander en van God. De tien Woorden niet als een juk, een keurslijf maar als bevrijding. De Bijbel is geschreven vanuit de oerervaring van het Joodse volk en die is dat God Zijn volk bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte. Daarmee beginnen de tien Woorden. God heeft zijn volk bevrijd omdat Hij een verbond gesloten heeft met zijn volk, een unieke relatie die het vereren van andere goden uitsluit. De Ene God is anders dan de andere goden en mag niet uitgebeeld worden, kan niet gevangen worden in een beeld. Wij kunnen God niet begrijpen, niet in de greep krijgen en Hem ook niet manipuleren. Hij is van een andere dimensie. Uit eerbied voor het mysterie van God mogen wij Zijn naam niet ijdel, te pas en te onpas gebruiken. Vanuit de oerervaring van bevrijding mogen we de schepping zien als een bevrijding uit de chaos. God schept licht en spreekt Zijn neen uit over de duisternis. Zo mogen wij evenals God rusten op de zevende dag, de sabbat die door God geheiligd is, apart gesteld, een bijzondere dag aan de Heer gewijd. Het woord van God klinkt en geeft ons kracht voor de nieuwe werkweek. De sabbat, onze zondag, een dag van recreatie, letterlijk herschepping. Eerbied voor God maar ook voor onze ouders die ons van U ontvangen hebben om ons de weg voor te leven naar U toe.
De eerste vijf Woorden in betrekking tot God en de vijf laatste als eerbied voor het leven, de relatie, het bezit van de ander en zijn goede naam. Mijn relatie tot de ander in zijn uniekheid verwijst naar het mysterie van God.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 25 feb 2018

Genesis 22, 1-2 9a 10-13 15-18

Marcus 9, 3-10

Voor het Joodse volk is de top van een hoge berg een belangrijke plek. Op de top vinden belangrijke gebeurtenissen plaats. Wie geruime tijd boven op een berg heeft vertoefd ervaart niet alleen de schoonheid van het uitzicht maar ook de enorme rust en de stilte van de eenzaamheid. Eenmaal boven op de top aangekomen kom je vooral jezelf tegen. In je eenzaamheid kom je oog in oog te staan met het diepste dat in je leeft. Ik kan me voorstellen dat de uitdaging fascinerend is om de lange moeilijke klim naar boven vol te houden, het gevecht met de elementen maar vooral het gevecht met jezelf. Voor gelovige joden heeft dat volhouden en dat gevecht te maken met de ervaring dat God nabij komt. Door dat geworstel heen ontstaat er in je ruimte waarin belangrijke vragen naar boven komen. Vragen als: wie wil ik zijn, hoe wil ik leven, wat is voor mij de moeite waard? Ik zou het ook zo kunnen zeggen. Als je boven op de top gezien hebt hoe een mens als Jezus het gevecht heeft volgehouden en zo tot klaarheid is gekomen, ga dan naar beneden en zet daar voor jezelf het gevecht voort. Je hebt gezien hoe het kan, misschien kun jij het ook.

J. Smier
 

Overdenkingen 11 februari 2018

Leviticus 13, 1-2 en 45-46
Marcus 1, 40-45

In de Bijbelse tijd was melaatsheid het ergste wat je kon overkomen. Je was niet alleen ziek maar werd ook uitgesloten van de gemeenschap, van alle sociale en religieuze leven. Ieder contact met gezonde mensen was verboden. Je moest ver buiten de stad wonen en als er iemand aan kwam, roepen: “onrein, onrein”. In het O.T. is ziekte niet zoals bij ons alleen een medische aangelegenheid voor een arts, maar ook een religieus fenomeen. De priester constateert of iemand melaats is. Denkt iemand dat hij genezen is, dan gaat hij naar de priester die hem na onderzoek genezen kan verklaren, rein, zodat hij weer deel uit mag maken van de samenleving. Rein en onrein zijn in de Bijbel in de eerste plaats religieuze begrippen. In het O.T. hebben ziekte en zonde alles met elkaar te maken. Melaatsheid wordt een symbool voor de zondige mens, melaats van zonden. In een samenleving waar medische kennis uiterst gering is, wordt de oorzaak van ziektes toegeschreven aan de straffende hand van God. We moeten bedenken dat de Bijbel een boek blijft dat door mensen geschreven is met hun Godsbeeld. Een Godsbeeld dat door Jezus gecorrigeerd is maar dat in sommige fundamentalistische kringen helaas nog steeds gangbaar is.
In het evangelie van Marcus lezen we dat de eerste genezing die Jezus doet het uitdrijven is van een bezeten, onreine geest. Jezus geneest mensen om dat wat het ontvangen van de blijde boodschap bij hen in de weg staat, op te ruimen en ze open te maken, ontvankelijk voor Zijn woord. Met een bezeten geest, in de ban van iets anders, gaat dat niet. Deze zondag horen we dat Jezus een melaatse geneest. Zowel de melaatse als Jezus doorbreken grenzen. Een melaatse die ver van de mensen, buiten de stad moest leven, komt in de stad en gaat naar Jezus toe en zegt: “indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen”. Jezus raakt hem aan, wat ook verboden was, en zegt: “Ik wil het, word rein”. De man mag weer deel uitmaken van de samenleving. Jezus geneest en geeft de man een nieuw leven.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 4 februari 2018

5e zondag door het jaar

Job 7, 1-4 en 6-7
Marcus 1, 29-39

Job is vroom, oprecht en godvrezend. Hij is rijk gezegend door God en prijst God daarvoor. Dan is het niet moeilijk om God te prijzen en te danken. De satan stelt aan God voor om Job al zijn bezit af te nemen. Dan zal hij U openlijk vaarwel zeggen. God geeft het bezit van Job in de macht van satan maar van Job zelf moet hij afblijven. En zo gebeurt het dat Job al zijn bezit en zijn kinderen verliest. Hij is in rouw en zegt: “de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zei geprezen”. Nu krijgt de satan toestemming ook Job zelf te beproeven als hij hem maar in leven laat. Job komt onder de zweren te zitten. Zijn vrouw vraagt of hij nu nog volhardt in zijn vroomheid. Maar hij noemt zijn vrouw een zottin. “Zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet”. Job zondigt niet met zijn lippen. Wel vervloekt hij de dag van zijn geboorte. De vrienden van Job komen hem bezoeken maar stellen hem teleur. Job moet wel gezondigd hebben want God laat een onschuldige en rechtvaardige niet lijden. Job houdt vast aan zijn rechtvaardigheid ongeacht wat zijn vrienden zeggen. Job wil zich tenslotte voor God verdedigen en zijn onschuld bepleiten. God antwoordt Job vanuit en storm en zegt: wie is het toch die het raadsbesluit verduistert met woorden zonder verstand. Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het indien je inzicht hebt. Dan volgt een magistraal gedicht over de schepping Overdonderd door Gods almacht in de schepping, wordt Job klein. Zie, ik ben te gering, hoe zal ik u bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Ik verkondigde zonder inzicht dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. Slechts van horen zeggen, had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog u aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete. Daarop krijgt Job alles in veelvoud terug. Ook wij vragen zo vaak aan God: waarom? Op de grote levensvragen is geen antwoord. Het antwoord ligt verborgen in het mysterie van God.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 28 januari 2018

Deuteronomium 18, 15-20
Marcus 1, 21-28

Vandaag lezen we in het evangelie dat er alle reden tot zelfvertrouwen kan zijn. Marcus vertelt ons namelijk over de stem van het goede die het altijd zal winnen van de stem van het kwade. Het is deze stem in de persoon van Jezus die de onreine geest in de bezeten man tot zwijgen brengt: “Stil en ga uit van hem”. En de onreine geest deed hem stuiptrekken en ging onder groot geschreeuw van hem weg. Soms lijkt het er meer op dat het geschreeuw van de onreine geest blijft overheersen. Het is daarom dat wij op de dag des Heren bij elkaar komen om te luisteren naar de stem van het goede. Het is daarom dat wij de dag des Heren eren om geloof en zelfvertrouwen te winnen en te bewaren. Tevens om te kunnen ervaren dat wij belangrijk zijn in onze activiteiten van alle dag. Het is daarom zeker niet toevallig dat de stem van Jezus op deze dag klinkt in het evangelie van Marcus. Met het blijven eren van de dag des Heren, kan het gebeuren dat een bezorgde stem zal zeggen dat de mens door zijn negatief ingrijpen in de natuur belangrijk is maar ook dat de mens juist belangrijk is in het duurzaam voortbestaan van de aarde. Want vanuit geloven en vertrouwen op de stem van het goede en het rechtvaardige kunnen onreine geesten tot zwijgen worden gebracht.


J. Smiers
 

Overdenking 14 januari 2018

2e zondag door het jaar

1 Samuël 3, 3b-10. 19
Johannes 1, 35-42

De jonge Samuël is uit dankbaarheid door zijn moeder Hanna opgedragen aan God en leeft onder toezicht van de oude priester Eli in de tempel. Het leven van de jonge Samuël staat in schril contrast met dat van de twee priesterzonen van Eli. Ze hebben maling aan de voorschriften voor het brengen van brandoffers en willen het beste vlees nog voor het geofferd is, zelf hebben. Ze slapen met de vrouwen die dienst doen bij de ingang van tent der samenkomst. Als Eli hen daarover aanspreekt, luisteren ze niet naar hun vader.
Wie wel luistert, is Samuël. Als hij ’s nachts een stem hoort, gaat hij naar Eli toe en zegt: “hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen”. Eli heeft hem niet geroepen en zegt dat hij weer moet gaan slapen. Dit tafereel herhaalt zich drie keer en dan pas heeft Eli door dat het God geweest is die Samuël geroepen heeft. “Ga weer naar bed en als God je weer roept, zeg dan: spreek Heer want uw knecht hoort”.
Twee mensen, de oude Eli en de jonge Samuël. De eerste letterlijk en figuurlijk ingedommeld en niet meer alert op de stem van God. De tweede, jong, alert en met een luisterend oor die God en zijn stem niet kent omdat God zich nog niet aan hem heeft geopenbaard.
Ook in het evangelie van Johannes klinkt een stem die mensen in beweging zet. Op een dag ziet Johannes de Doper Jezus komen en zegt: “zie het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt”. De volgende dag staat Johannes weer bij de Jordaan met twee van zijn discipelen. Als hij Jezus ziet gaan, zegt hij:” zie het lam Gods”. Als de twee dit horen, volgen ze Jezus. En zij vragen: Meester, waar houdt Gij verblijf? Jezus is thuis in de dingen van zijn Vader, de Schrift die Hij uitlegt. Zij herkennen de Messias.
Alleen als wij stil worden, kunnen wij de innerlijke stem, de stem van God horen. Dan is het ook mogelijk dat als God ons roept, wij met de volle inzet kunnen antwoorden: “hier ben ik”.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 7 januari 2018

Jesaja 60, 1-6
Mattheüs 2, 1-12

We vieren het feest van Epifanie, de verschijning van de Heer. De lezingen staan in het teken van het licht. De eerste lezing is uit Deuterojesaja, die leefde in de ballingschap in Babylon. Het Joodse volk is weggevoerd, Jeruzalem en de tempel zijn verwoest. Maar God troost zijn volk en zegt dat zijn lijdenstijd volbracht is. De ballingen mogen terugkeren. Het vertrapte Jeruzalem zal herbouwd, verheven worden. Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer gaat over u op. De volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. Ze brengen hun schatten mee. Uit Scheba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij meebrengen en de roemrijke daden van de Heer blij verkondigen. De volken, de heidenen, trekken op naar Jeruzalem.
Met Kerstmis openbaart de Heer zich aan de Joden, aan de herders. Met Epifanie vieren wij dat de Heer zich openbaart aan de niet -Joden, aan ons. Magiërs uit het Oosten staan symbool voor de volken. Ze hebben de ster van de pas geboren koning gezien en gaan naar Jeruzalem en vragen waar de koning is. Want een koning moet toch in de hoofdstad aan het hof geboren zijn. Koning Herodes hoort hiervan en schrikt. Schriftgeleerden worden geraadpleegd en vertellen dat de Christus geboren moet worden in Bethlehem. De magiërs gaan weg en de ster die zij in het Oosten gezien hebben, gaat hen voor naar Bethlehem en blijft staan op de plaats waar het kind is. We mogen denken aan de wolk en de vuurkolom die het Joodse volk voorging door de woestijn. De magiërs komen bij het kind, aanbidden het en geven hun schatten, goud, wierook en mirre. Verbaasd zullen ze geweest zijn, een koning niet in een paleis maar in een achterafje in een stal, niet ontgoocheld maar vol vreugde. Weg van Jeruzalem, de stad van Herodes, van aardse macht, worden we verwezen naar Bethlehem, de stad van David, naar een kind dat de Vorst van de vrede is. Als wij dit kind volgen, zal Jeruzalem pas werkelijk de stad van vrede, sjaloom worden.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 17 dec 2017

zondag 17 december, 3e zondag van de Advent, ‘Gaudete’

Jesaja 61, 1-2.10-11
1 Tessalonicenzen 5, 16-24
Johannes 1, 6-8.19-28

Luisteren is moeilijk. Wij zijn vaak meer gefocust op wie de spreker is dan dat we echt luisteren naar wat diegene ons te zeggen heeft.
Vandaag horen we in het evangelie hoe er mensen naar Johannes de Doper worden gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ En als hij antwoordt dat hij niet de Messias is en niet Elia, dan vragen ze: ‘Maar wie bent u dan?’
Zijn antwoord luidt: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer.” ’ Het is maar de vraag of dit antwoord wel verstaan is, want nu vragen ze zich af waar hij dan wel het lef vandaan haalt om te dopen als hij niet de Messias en niet Elia is, maar Johannes antwoordt: ‘Ik doop met water, maar in uw midden is iemand die u niet kent, hij die na mij komt - ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’

Een verhaal uit de Joodse traditie over een jonge rabbijn.
Als hij over het veld liep, hoorde hij uit het ruizen van de gewassen de dingen die gaan komen. Als hij door de straten liep, hoorde hij uit de voetstappen van de mensen de dingen die gaan komen. En als hij zijn toevlucht zocht in de stilte van zijn kamer, dan zeiden zijn ledematen de dingen die gaan komen.
Toen werd hij bang: Zou hij de goede weg wel kunnen gaan, als hij al van tevoren wist waar zijn voeten hem zouden brengen? Dus vatte hij moed en bad dat God hem dit zou afnemen. En God willigde zijn verzoek in: de angst voor de toekomst werd van hem weggenomen, maar niet de hoop.

Hopen is de eeuwige jeugd in een wereld die oud wordt.
Hopen is de verwachting van de lente in de kou van de eeuwige sneeuw.
Hopen is daar beginnen waar de wereld eindigt.
Hopen is deemoedige bescheidenheid in de grootheid van Gods plan.
Hopen is de glimlach door de tranen heen van een naamloos verdriet.
Hopen is midden in de nacht weten dat eens de dageraad doorbreekt.

J. Smiers
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd