Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

Overdenkingen 10 dec 2017

Jesaja 40, 1-5 en 9-11
2 Petrus 3, 8-14
Marcus 1, 1-8

God heeft de klacht van zijn volk aan de stromen van Babylon gehoord. Het volk is tot inkeer gekomen en God blijft niet boos op zijn volk. Hij spreekt het volk troost toe. De lijdenstijd van het volk in ballingschap is voorbij. Het heeft geboet voor zijn zonden. Het volk mag weer terugkeren naar Jeruzalem. Het volk dat afgedwaald was van God en zijn eigen wegen was gegaan, laat God nu weer toe in zijn hart en bereidt voor de Heer een weg opdat zijn heerlijkheid openbaar zal worden.
Het evangelie van Marcus opent met dit citaat uit Jesaja: “Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die u een weg bereiden zal”. Die bode is Johannes de Doper, de aankondiger, de heraut die de komst van een belangrijk persoon aankondigt. Johannes de Doper heeft de trekken van de profeet Elia die ook in de woestijn leefde. Voordat de Messias komt, komt eerst Elia om de mensen op te roepen zich te bekeren voor de dag van het oordeel. Zo roept Johannes de mensen op zich te bekeren, schuld te belijden en zich door hem te laten dopen als teken van de reiniging van zonden. Zoals de komst van Elia vooraf gaat aan de komst van de Messias, zo bereidt Johannes de weg voor de komst van Jezus, de Messias.
Jezus kan alleen in deze wereld, in ons hart komen als er eerst ook met ons wat gebeurt, als wij ons bekeren, omkeren, tot inzicht komen dat heel veel dingen die wij zo belangrijk vinden bijzaken zijn. Bijzaken die ons vaak afhouden van God. Er is zoveel ruis in ons dat wij de stem van God niet meer kunnen horen, dat wij niet meer kunnen afstemmen op Zijn stem.
Advent, voorbereiding op de komst van God in ons midden betekent dat wij ruimte moeten maken in onszelf om Hem te kunnen ontvangen. Ruimte en stilte om Zijn stem te horen. Zo kunnen wij in deze Adventstijd de weg bereiden voor de Heer.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 3 dec 2017

Jesaja, 63, 16b-17.19b; 64,3b-7
1 Korintiërs 1, 3-9
Marcus 13,33-37

In de oude liturgie was op de 1e zondag van de Advent het eerste gezang aan het begin van het nieuwe kerkelijk jaar de introïtus: “Ad te levavi animam meam.” Tot U, verhef ik mijn ziel; mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen (Psalm 25). De psalm geeft alles aan wat van belang is. Het begin is vertrouwen in God. Onze hulp is in de naam van de Heer, die trouw is tot in eeuwigheid. Vertrouwen op God betekent ook dat wij Zijn wegen willen kennen met als richtingwijzer de Thora die leidt naar waarheid en gerechtigheid. Maar de psalmist weet ook dat wij vaak afgedwaald zijn en onze eigen wegen zijn gegaan en vraagt om vergeving. Gedenk niet de zonden van mijn jeugd, noch mijn overtredingen.
Dezelfde sfeer van berouw en inkeer maar ook van Godsvertrouwen treffen we aan in de eerste lezing van de zogenaamde Deuterojesaja die leefde in Babylon, in de ballingschap, het dieptepunt in de geschiedenis van het Joodse volk. De profeten hebben het volk steeds aangespoord en aangemoedigd het verbond met God en zijn geboden te onderhouden en het gewaarschuwd als het toch andere wegen ging zonder God en zijn verbond. Maar het volk heeft de waarschuwingen in de wind geslagen en is God en de Thora vergeten. Wie God vergeet, komt weer terecht in chaos, vindt dood en ballingschap. Wie God als bevrijder vergeet, valt weer terug in onvrijheid, wordt weer gebonden door de wereld van alledag met al zijn verslavingen. Jeruzalem en de tempel zijn verwoest en het Joodse volk is weggevoerd in ballingschap. De tempel, het religieuze hart van het volk, is niet meer. Maar dan herinnert het volk zich in Babylon de oude woorden van God en zijn verbond en komt tot berouw en inkeer en hoopt op vergeving van God en bevrijding uit de ballingschap.
Zo is de Advent voor ons een tijd van bezinning en inkeer. Wij moeten waken voor gerechtigheid en vrede. Wakend moeten wij de komst van onze Verlosser verwachten.
 

Overdenkingen 26 nov 2017

Ezechiël 34, 11-17
Matteüs 25, 31-46

Het besluit van Pilatus is als ‘Wat geschreven staat, is geschreven’. Hij wast zijn handen in onschuld en gaat verder naar huis. Zichtbaar teleurgesteld kijkt het volk passief toe, De leiders van het volk daarentegen kijken lachend toe en roepen: “Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu zichzelf maar redden”. Ook de Romeinse soldaten kijken toe. Ze vinden het zo alles bij elkaar maar een zielige vertoning. Voor hen is het de zoveelste terechtstelling van die dag. Iemand aan het kruis is geen mens meer maar een worm. Een koning gaat ten onder, een mislukte rebel, een koning van niks. Er is er maar één die in Jezus de echte Koning herkent. Een medegevangene, een terrorist, een moordenaar nog wel. Jezus zegt tegen hem: “Nog heden zult ge met Mij in het paradijs zijn.”
Volgende week begint de Advent maar vandaag al horen we dat je goed weet wie je mag verwachten. Geen grote sterke man, geen machtige koning maar een pas geboren kind. Een kind van kleine en machteloze mensen. Iemand die een verlosser, een mensenredder wil zijn. Tot deze Koninklijke weg van ’er zijn voor elkaar’ worden we uitgenodigd, zoals God er altijd voor ons is.
Alleen zo zal het nieuwe leven groeien, weerloos als een pasgeboren kind, geboren in chaos tegen dood en verdrukking in. Jezus heeft een duidelijke keuze gemaakt tussen goed en kwaad en geen compromissen gesloten met krachten die het leven bederven. Rechtens die redenen mogen we Hem CHRISTUS KONING noemen.


J. Smiers
 

Overdenkingen 19 nov 2017

x
 

Overdenkingen 12 november 2017

Wijsheid 6, 12-16
Mattheüs 25, 1-13

Veel kennis hebben, veel weten, geleerd zijn, is iets anders dan het hebben van wijsheid. Wijsheid, ook in de Bijbel, is geen theoretische kennis maar gaat over het leven zelf in de betekenis van levenswijsheid, een bepaalde levenshouding. Mensen die niet geleerd zijn, kunnen vaak een grote levenswijsheid hebben. Kennis kunnen we leren maar wijsheid is een gave. Wijs is de mens die zich kan verwonderen, openstaan voor een werkelijkheid die groter is dan zijn verstand. We zien met onze ogen maar blijven steken aan de oppervlakte. Door de wijsheid zien we in de diepte, wordt ons zicht tot inzicht en verdieping. De grote denker Pascal spreekt over de geest van de geometrie (van de exacte kennis waar meten, weten is) en de geest van het hart die zijn redenen heeft die het verstand niet kent. Dit is de geest van het geloof die alle verstand te boven gaat.
In de Bijbel betekent wijsheid ook altijd verbonden zijn met God, leven met God en zijn Thora. In de Bijbel staat wijs tegenover dwaas. De dwaas zegt in zijn hart, er is geen God, aldus de Psalmist. We kennen het verhaal van de rijke dwaas die alleen maar denkt aan zijn bezit en het vermeerderen daarvan en geen rekening houdt met zijn eigen eindigheid en met God.
We naderen het einde van het kerkelijke jaar en daarin past de evangelielezing van deze zondag over de vijf wijze en dwaze maagden. In sommige moderne vertalingen wordt gesproken over de verstandige en domme meisjes. Zo wordt de diepte uit de tekst gehaald. Wijs zijn heeft een fundamentele diepte die bij de betekenis van verstandig zijn, verloren gaat en evenzo met dwaas en dom. Iemand die in het dagelijks leven niet genoeg olie bij zich heeft voor zijn lamp is dom. Maar het gaat in dit verhaal om veel meer. De meisjes wachten op de Bruidegom en moeten waakzaam zijn. Als wij gehoor geven aan de roepstem van God dan zijn wij wijs zoals de eenvoudige vissers aan het meer die alles in de steek lieten en Jezus direct volgden.


J. Verhoeven
 

Overdenking 5 november 2017

31e zondag door het jaar

Maleachi 1, 14b- 2, 2b. 8-10

Matteüs 23, 1-12

De profeet Maleachi ( betekent: mijn bode) waarschuwt voor de slechte priesters. God heeft een verbond gesloten met de stam van Levi en dat is: leven en vrede. Betrouwbaar onderricht was in de mond van Levi ( in de mond van de priesters) en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden. De lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de wet, want een bode van de Heer der machten is hij. Maar de priesters zijn van de weg afgeweken en hebben door hun verkeerde onderricht velen doen struikelen. Deze priesters hebben het verbond met Levi tenietgedaan.
In het N.T. komen de Farizeeën er slecht van af. De evangelisten schilderen een karikatuur van de Farizeeën. In de tijd van Jezus en in de eeuwen daarvoor werd het Midden-Oosten sterk bepaald door de Griekse cultuur en ook Joden voelden zich hiertoe aangetrokken. Om de identiteit van het Jodendom te bewaren, ontstaat de beweging van de Farizeeën die leeft vanuit de geschreven Thora en de mondelinge aanvulling daarop. De Farizeeën staan aan de kant van het gewone volk en willen God bij het gewone volk brengen. In het navolgen van de Thora zijn ze zeer strikt en voorbeeldige gelovigen. Onder hen is een kleine zeer conservatieve groep die blijft steken bij de letter van de Thora en geen oog meer heeft voor de geest van de Thora. Deze groep houdt zich bezig met fanatieke letterknechterij en verhardt in de leer. Hiertegen richt Jezus zijn kritiek zoals Maleachi waarschuwt voor de slechte priesters. Luister naar de Schriftgeleerden zegt Jezus maar kijk niet naar wat ze doen. Ze leggen mensen zware verplichtingen op die ze zelf niet vervullen, lopen te koop met hun vroomheid en willen gezien worden. De Thora mag geen zware last zijn. Het zijn richtregels om te leven in het perspectief van God, gericht op een grotere, diepere werkelijkheid dan die van alledag, leven in sjaloom, in vrede, gerechtigheid en liefde. Een werkelijkheid waarin macht, aanzien, roem en hoogmoed niet meer gelden maar waarachtigheid, bescheidenheid en nederigheid. Jezus is uit liefde dienaar geworden.

J. Verhoeven
 

Overdenking 29 oktober 2017

30e zondag door het jaar

Exodus 22, 20-26
Matteüs 22, 34-40

“Meester, wat is het voornaamste gebod in de wet”? Jezus antwoordt niet door één maar door twee centrale punten te noemen en bovendien gelijkwaardig aan elkaar zijn. De goede relatie met God en de goede relatie met elkaar, die twee wil Hij niet los van elkaar zien. Beide relaties worden bepaald door beminnen. Wanneer het om God gaat: beminnen met heel ons hart, heel onze ziel en heel ons verstand. Wanneer het om de mensen onder elkaar gaat: de naaste beminnen als jezelf. Twee parallelle principes, nooit los van elkaar. Er zijn mensen die zich afvragen hoe kan ik een ander liefhebben zoals ik mezelf lief heb? En als ik mezelf haat?
Je kunt je natuurlijk afvragen: kan ik dat wel, mezelf haten? Is er niet vaak sprake van angst? De wezenlijke waarde voor elke relatie, ook die met God, is dat je jezelf voldoende respecteert en accepteert zoals je bent. Iedereen krijgt van Hem een hart om lief te hebben. Meer dan voldoende reden om je nooit af te schrijven. Er zijn vertalers die de betekenis van Jezus woorden weergeven als: heb je naaste lief, hij is als jij. Hij is mens met zijn angsten en onzekerheid maar ook met de mogelijkheid om zijn hart open te stellen, juist zoals dat bij jou het geval zal zijn. Dat open stellen van ons hart is het kenmerk van mensen die naar Gods beeld en gelijkenis geschapen zijn. Heb je naaste dus lief want je naaste draagt Gods beeld.
J. Smiers
 

Overdenkingen 22 oktober 2017

Jesaja 45, 1-4-6
Matteüs 22, 15-21


“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt”. Ik denk dat het belangrijk is om deze uitspraak van Jezus heel te houden. We kunnen wat verder doordenken over dat oude woord ‘Beeldenaar’ die je op de geldstukken tegenkomt. Het verhaal spreekt over de belastingmunt die de beeltenis van de keizer draagt, die behoort hem dus toe.
In het verhaal komt ook de mens voor en de wegen die de mens moet gaan. Gods wegen, want je bent nu eenmaal zelf ook beeltenis van God, naar zijn beeld en gelijkenis geschapen met de opdracht om dat in je leven uit te beelden. Jezus wijst op dat beeld van de God die je heeft geschapen en in leven houdt van dag tot dag. Dat beeld dat je probeert vorm te geven in je omgaan met Hem in wie je misschien wel zegt te geloven.
Ook in het omgaan met mensen om je heen, niet alleen uit je vriendenkring maar ook met hen die ongevraagd en eventueel ongelegen je levenspad kruisen. Soms kom ik van die mensen tegen die zo open zijn, zo goed en zo mild in hun oordeel en spreken. Mensen zo wijs in al hun eenvoud met wie het goed omgaan is. Dan denk ik weleens: van wie hebben zij dat? Zou het misschien komen doordat ze vorm wisten te geven aan de beeltenis van God?


J. Smiers
 

Overdenkingen 15 oktober 2017

28e zondag door het jaar

Jesaja 25, 6-10a
Matteüs 22, 1-14

In het O.T. zien we dat het een lange weg is geweest voordat het Jodendom de vele goden achter zich kon laten en kwam tot het belijden van de ene God. De vele goden hebben het moeten afleggen tegen een god die dé God geworden is van Israël, God die een verbond gesloten heeft met Zijn volk en het beschermt. Het Jodendom heeft een God voor zich, een privé God. Wat we deze zondag bij de profeet Jesaja lezen, is grensverleggend. De Heer richt op Zijn berg een maaltijd aan voor alle volken. God is niet alleen de God van Israël maar geworden tot de God van alle volken. Het is het visioen van de volken die opgaan naar Sion om van God te leren. In het visioen van de eindtijd, het visioen van vrede, wordt de scheiding tussen het Joodse volk en de andere volken, de heidenen, opgeheven. Een bonte stoet van mensen uit alle rassen en talen trekt op naar de berg van God. Ze worden genodigd tot het feestmaal dat God aanricht.
Bij de evangelist Matteüs horen we dat het Koninkrijk der hemelen is als een koning die voor zijn zoon een bruiloftsmaal aanrichtte. De koning stuurt zijn slaven erop uit om de gasten uit te nodigen maar die hebben het zo druk met hun eigen zaken dat ze de uitnodiging in de wind slaan. Sommige slaven worden zelfs mishandeld en gedood. Het feestmaal is gereed maar de genodigden waren het niet waard. Dan stuurt de koning zijn slaven om iedereen, goeden en slechten, uit te nodigen voor de bruiloft. God spreekt ten eerste Zijn volk aan, de gelovigen, de mensen van de Kerk maar dan moeten we wel gehoor geven aan zijn roepstem, hoorder zijn van het Woord en antwoord geven. Als dat niet gebeurd worden ook de mensen buiten de Kerk geroepen. Het was gebruikelijk dat bij de ingang van de feestzaal feestkleren werden uitgedeeld. Toch is er iemand zonder feestkleed. Wie de feestzaal binnen wil, moet wel van God het kleed van de genade willen aannemen en zich bekleden met de nieuwe mens.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 1 oktober 2017

26e zondag door het jaar

Ezechiël 18, 25-28
Matteüs 21, 28-32

Het kan nog, er is nog een kans. Dat krijgen we vandaag te horen. Want de oudsten en de opperpriesters leven vandaag de dag nog. Zij leven voort, dicht bij ons, misschien leven zij wel in ons zelf. Want tollenaars en hoeren hebben niet zoveel te verliezen. Ze hebben geen naam op te houden, eer is er niet aan te behalen. Hoe het koninkrijk Gods bij hen wortel kan schieten, is voor de mannen met naam en gezag, met traditie en kennis zoals de opperpriesters, een vraag die niet gesteld wordt. En juist gaat Jezus met de zogenaamde slechteriken om, Hij eet zelfs met hen. In hun kringen vindt Hij duidelijk gehoor zoals Matteüs, Zacheüs en Maria Magdalena over Hem spreken en getuigen. Wat hebben deze mensen toch vóór op machtige mensen met invloed en gezag? Niets dan alleen hun kennelijke mogelijkheid om hun levensstijl te veranderen, een ander leven te gaan leiden. Van leiders wordt gevraagd dat zij de weg van rechtvaardigheid gaan. Dat hun aanzien stoelt op ware wijsheid en rechtvaardigheid waardoor starheid en vooral eigen baat worden doorkruist en kritiek tot de mogelijkheden behoort. Daar liggen ook onze kansen op echte vrede. De vrede die de wereld niet kent omdat die niet vanzelfsprekend is. De echte vrede komt pas sprekend tot zijn recht als het de vrede van Jezus is. Zijn vrede opgebouwd door mensen die Hem met de mond belijden maar nog meer met de daad volgen.

J. Smiers
 

Overdenkingen 24 sept 2017

25e zondag door het jaar

Jesaja 55, 6-9

Matteüs 20, 1-16a

De landeigenaar uit de gelijkenis van Jezus leert ons met nieuwe ogen te kijken naar de huidige maatschappelijke situatie. Bij Jezus gaat het niet om de arbeiders die al aan het werk zijn, met wie de landeigenaar al overeen gekomen is: je krijgt een denarie voor het werk van deze dag en dat is het. Zij hebben hun deel al te pakken. Hij ziet uit naar hen die niets hebben. Zij krijgen overvloedig deel van de goedheid van de Heer. Zij ontvangen wat billijk is in het oog van de Meester en dat is rechtvaardig. Deze gelijkenis van Jezus houdt ons een spiegel voor waarin wij kunnen zien wat onze arbeidsverhoudingen waard zijn en stelt de werklozen in onze wereld in een ander daglicht. Als God zelf zijn gaven afstemt op hen die niets hebben, dan kunnen we daar een voorbeeld aan nemen. De arbeiders van het elfde uur hebben nog steeds recht op hun levensonderhoud. Hun arbeidskracht mag door ons niet verspild worden want zij staan nog altijd in dienst van het koninkrijk van God. Daarom is het goed geen mens af te schrijven die werkloos staat ingeschreven. Daarom ook is het niet rechtvaardig iemand een uitkering te misgunnen en scheef te kijken naar iemand die arbeidsvreugde vindt in werk dat niet betaald wordt. Telkens opnieuw is het de bedoeling mensen met vertrouwen tegemoet te treden en hen uit te nodigen mee te werken in de wijngaard van de Heer. Er is nog waarachtig veel werk te doen.


J. Smiers
 

Overdenkingen 10 september 2017

23e zondag door het jaar

Ezechiël 33, 47-9

Matteüs 18, 15-20

Deze zondag gaan de lezingen over de verantwoordelijkheid voor mijn naaste. Ben ik mijn broeders hoeder? Jazeker. God heeft de profeet Ezechiël aangesteld als een wachter over het huis van Israël. Hij moet de goddeloze, de mens die zich afkeert van God, waarschuwen. Als de goddeloze zich niet bekeert, zal hij sterven. Maar als de profeet de goddeloze niet waarschuwt dan zal de profeet ook sterven. Als de profeet waarschuwt maar naar zijn spreken wordt niet geluisterd dan gaat de profeet vrij uit en bewaart hij zijn leven.
De evangelist Matteüs zegt ons dat wij onze broeder, onze naaste moeten aanspreken als hij zondigt. Iemand aanspreken op zijn fouten zal beter gaan naarmate wij iemand beter kennen. Niet een vermanend spreken vanuit de hoogte maar een dialoog tussen gelijkwaardige gesprekspartners waarin de ander zal inzien dat hij verkeerd gehandeld heeft. We spreken een ander op zijn fouten aan omdat we bezorgd zijn voor de ander. Wil de ander niet luisteren en niet toegeven dat hij fout gedaan heeft dan is het goed om het gesprek te hervatten met twee of drie getuigen erbij. In het boek Deuteronomium staat immers dat het getuigenis van twee of drie getuigen rechtsgeldig is. Lukt dat niet, dan pas moet het besproken worden in de gemeente, gemeenschap. Omdat onze broeder die zondigt tot de gemeente behoort, heeft de gemeente, de (kerkelijke) gemeenschap, een verantwoording voor het verdwaalde schaap. Als hij ook niet naar de gemeenschap waartoe hij behoort, luistert, dan heeft de gemeenschap alles gedaan waartoe zij bij machte was. Dan zal de zondaar beschouwd worden als een heiden of een tollenaar, dat wil zeggen als iemand die buiten de gelovige gemeenschap staat. Iemand buiten de gemeenschap stellen, dat klinkt hard. Maar als er in een kleine gemeenschap sprake is van zonde, misstappen, onrecht, verbroken relaties dan legt dat een grote druk op een gemeenschap. Wat wij binden, zal in de hemel - dit wil zeggen voor God - gebonden zijn. Ons handelen moet zo zijn dat God ermee kan instemmen. De zondaar die zich bekeert, zal de vergeving en verzoening van de gemeenschap mogen ervaren.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 3 september 2017

22e zondag door het jaar

Jeremia 22, 7-9
Matteüs 16, 21-27

Petrus is de man waarvoor Jezus een zwak had. Met hem wilde Hij wel in zee, op hem durfde Hij wel te bouwen. Dat blijkt uit de passage: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.
En dan de toch felle reactie van Jezus toen Hij aan zijn leerlingen zijn lijden aankondigde. Petrus antwoordde met bestraffende woorden dat God dat zeker niet zal toelaten. Kwaad keerde Jezus zich om en zei tegen Petrus: “Ga weg achter Mij, satan, gij denkt niet aan de dingen Gods maar aan die van de mensen.” Ik zal zelf niet zo gauw het woord ‘satan’ in de mond nemen, Jezus doet dat wel. Het is goed om te weten dat in die tijd het negatieve als een aparte kracht werd voorgesteld, als een boze geest. Satan! Een demonische kracht in Petrus. Een kracht die Jezus tracht af te houden van dat wat voor Hem voor ogen staat. Een tegenkracht die Jezus diepste motivatie in twijfel trekt. “Gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet wat God wil.” Door zijn gedrag bewijst Petrus Jezus een slechte dienst. Hij had zich de toekomst met Jezus heel anders voorgesteld, geen lijdensweg maar een zegetocht. En toch werd de lijdensweg een zegetocht. Achteraf.

J. Smiers
 

Overdenkingen 30 juli 2017

17e zondag door het jaar

1 Koningen 3, 5-7-12
Matteüs 13, 44-52

In het evangelie is er sprake van een verborgen schat. Een knecht van een herenboer is aan het ploegen en opeens vindt hij in de grond een pot met gouden munten. In die tijd stopte men vaak geld in de grond als men op reis ging of bang was voor plundering in tijden van oorlog of onrust. Als dan de eigenaar van het geld op het slagveld was achter gebleven, wist niemand waar hij zijn geld begraven had. De schat bleef toevertrouwd aan de aarde totdat er een gelukkige vinder kwam. Een prachtig verhaal! Maar om de schat te vinden hoef je de deur niet uit. Hij bevindt zich in je eigen huis. De schat die zichtbaar wordt waar mensen elkaar in liefde nabij zijn. De schat waar we in ons leven naar op zoek zijn, is niet iets maar iemand. Iemand die je in tijden van vreugde en verdriet lief heeft. Is dan zo’n schat niet de moeite waard om daar alles voor prijs te geven?

J.Smiers
 

Overdenking 16 juli 2017

15e zondag door het jaar

Jesaja 55, 10-11
Matteüs 13, 1-23

De leerlingen van Jezus vragen waarom Hij in gelijkenissen spreekt. Gelijkenis is een ander woord voor vergelijking. Als ik aan iemand iets moet uitleggen wat hij niet kent, vergelijk ik het met iets wat hij wel kent. Zo is het ook in de Bijbel. Wij hebben geen flauw benul wie God is en het Koninkrijk der hemelen. Om iets daarvan aan te duiden spreken de schrijvers van de Bijbel over God als een vader, als een herder, als een rechtvaardig rechter die opkomt voor de armen, als een bevrijder. Jezus neemt voorbeelden uit het dagelijks leven, de zaaier, de oogst, de goede herder, de vissers. Jezus spreekt, maar willen wij luisteren, openstaan voor zijn woord, moeite doen om zijn vergelijkingen te begrijpen en dichter te komen bij God en zijn Rijk, als zaad dat in vruchtbare grond valt en rijkelijk vrucht draagt.

J.Verhoeven
 

Overdenkingen 9 juli 2017

Zacharias 9, 9-10
Matteüs 11, 5-30

In de evangelielezing hoort u Jezus zeggen: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijn en onder lasten gebukt gaan. Ik zal u rust en verlichting schenken”. Direct daarop voegt Hij er aan toe: ”Neemt Mijn juk op en volg Mij”. U weet vast wel wat een juk is, daarom hoor ik u al denken: waarom zal ik nog meer lasten op mijn schouders nemen? Dit leven geeft mij al genoeg lasten en dan nog de zorgen voor mijn gezin. Welk mens is dan toch nog bereidt om meer lasten op zijn schouders te nemen? De tijdgenoten van Jezus wisten heel goed wat Jezus met dat juk bedoelde. De wetten waaronder het volk gebukt ging, waren zware en bijna ondraaglijke lasten. De wetten die bedoeld waren om het leven wat lichter en overzichtelijker te maken, waren door de Farizeeën omgebogen tot ondraaglijke lasten. Velen van het volk dreigden er aan onderdoor te gaan. En dan zegt Jezus; “Ik zal uw lasten dragen en verlichting brengen”.


J. Smiers
 

Overdenkingen 25 juni 2017

12e zondag door het jaar

Jeremia 20, 10-1 Mattheüs 10, 26-33

Jeremia heeft als profeet de zware taak het Joodse volk het oordeel aan te zeggen en wel een oordeel dat niet meer afgewend kan worden. Naar profeten wordt nooit geluisterd en zeker niet naar een onheilsprofeet. De mensen bespotten en honen hem. We denken aan de woorden van Psalm 22: ”gehoond door de mensen, veracht door de buurt. Ik ben bespottelijk in aller ogen, ieder lacht me hoofdschuddend uit”. Jeremia staat op het punt dat hij niet meer wil profeteren. “Ik wil aan Hem (God) niet denken en in zijn naam niet meer spreken”. Maar dan wordt het binnenin Jeremia als een brandend vuur. Hij probeert te zwijgen maar het lukt niet. Jeremia kan niet zwijgen omdat het woord van God dat hij moet verkondigen sterker is. “Gij hebt mij overreed, Heer, en ik heb mij laten overreden; Gij zijt mij te sterk geweest”. God trekt Jeremia over zijn dode punt van twijfel heen en Jeremia belijdt dat God is als een geweldige held. De vervolgers van de profeet zullen struikelen en tot niets in staat zijn. God staat garant voor de gerechtigheid.
Hoe actueel. We horen van mensen die het onrecht niet kunnen aanzien en niet kunnen zwijgen omwille van de gerechtigheid en dit moeten bekopen met gevangenisstraf, marteling, ja zelfs de dood. Mensen die niet meer terug kunnen keren naar hun land omdat ze kritiek hebben op de regering. Martin Luther King, bisschop Romero en zoveel anderen die niet konden en niet wilden zwijgen.
In de evangelielezing van deze zondag horen we dat Jezus zijn discipelen uitzendt. In tegenstelling tot Jeremia verkondigen ze de blijde boodschap dat het Koninkrijk der hemelen nabij is. “Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft boze geesten uit.” Tekenen van het Koninkrijk der hemelen dat nabij is. Maar ook met deze boodschap van heil zullen de discipelen op weerstand stuiten en voor gesloten deuren staan. Ondanks alles moeten zij en wij niet bevreesd zijn maar uitkomen voor ons geloof. Als wij partij kiezen voor Jezus dan zal Jezus ook voor ons partij kiezen bij zijn Vader.

Jan Verhoeven
 

Overdenkingen 18 juni 2017

Deutronomium 8, 2-3 en 14b-16a
Johannes 6, 51-58

Deze zondag vieren we het feest van afgelopen donderdag, Sacramentsdag. Donderdag want we gaan terug naar de avond van Witte donderdag als Jezus met zijn vrienden het Pascha viert. De avond van de herinnering, van de verhalen die op deze avond van vader op zoon worden doorverteld, over de slavernij in Egypte en de uittocht. Verhalen van de heilsdaden van God die nooit vergeten mogen worden, van de ene God die bevrijdt en met zijn volk meetrekt. Het is de avond van het terugzien, van de herinnering maar ook van de overlevering, het doorgeven. Jezus viert met zijn vrienden het eeuwenoude Pascha maar voegt aan de traditie een element toe. De symbolen van brood en wijn betrekt Hij op zichzelf. “Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis”. Niet alleen de herinnering aan de God van Israël die bevrijdt maar ook de herinnering aan Jezus die mensen bevrijd heeft, verlost van hun drukkende verleden. De leerlingen van Jezus zien zijn opstanding vanuit de verhalen van Pascha. Zoals God zijn volk uit de dood gered heeft, zo laat Hij ook Jezus verrijzen uit de dood. Het woord Pesach heeft te maken met het overspringen van de dood. De engel van de dood die in Egypte aan de huizen van de Joden voorbij gaat.
Op die grote avond stelt Jezus het sacrament van de Eucharistie in. Bij een sacrament zijn drie aspecten van belang.
Ten eerste de herinnering. We denken terug aan de avond van de uittocht uit Egypte, aan wat God voor zijn volk gedaan heeft en aan Jezus’ leven. Ten tweede wordt door symbolen de herinnering present gesteld. Op de avond van het Pascha wordt de uittocht opnieuw beleefd met het ongezuurde brood en het bittere kruid.. In de tekenen van brood en wijn denken we niet alleen aan Jezus maar is Hij ook in ons midden. Ten derde bewerkt het ontvangen van het sacrament iets in ons, namelijk het geloof dat Hij ook in toekomst met ons zal zijn. De eenheid met Jezus die wij in het sacrament ontvangen, moeten wij uitdragen in de wereld.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 11 juni 2017

Heilige Drie-eenheid

Exodus 34, 4b-6-8-9
Johannes 3, 16-18

Het slotfeest van de Drievuldigheid bedoelde een soort dankbetuiging aan God te zijn in wie dat alles zijn oorsprong vond. Zo staat het vandaag ook in het openingsgebed van de liturgie. God onze Vader, gij hebt het woord van de waarheid en de Geest in de wereld gezonden om aan de mensen het verheven mysterie van uw Godheid te openbaren. Het mysterie van uw Godheid zijn woorden om bij stil te staan. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld op de manier van de theologen die al eeuwen lang proberen te begrijpen wat het betekent als we ‘God drie in één’ zeggen. Of op de manier van de historici, die zich steeds weer afvragen: ‘Wat bedoelden de concilievaders eeuwen terug eigenlijk te zeggen’?
Het zijn slechts varianten op de vraag die iedere ware gelovige zich doet stellen als hij of zij bid: “God, Vader, Zoon en H. Geest”. Jezus omschrijft de relatie tot God als die van de Vader en de Zoon. Hij nodigt ons uit om met Hem tot God, ‘Onze Vader’ te zeggen. Jezus belooft dat als Hij bij de Vader is, hij op een heel bijzondere wijze de Geest zal zenden. Hij nodigt ons uit om vanuit die Geest van God te leven.

J. Smiers
 

Overdenkingen 28 mei 2017

7e zondag van Pasen

Handelingen 1, 12-14
Johannes 17, 1-11a

We lezen deze zondag uit het evangelie van Johannes het begin van het zogenaamde
Hogepriesterlijk gebed. Het zijn de laatste woorden van Jezus voor zijn
gevangenneming. Jezus vraagt aan de Vader dat Hij zijn Zoon verheerlijkt opdat de
Zoon Hem verheerlijkt. Het uur is gekomen. Dat wil zeggen de tijd van het lijden, en toch
is er sprake van verheerlijking. De taak van Jezus is de heerlijkheid, de glorie van God
aan de mensen te openbaren, de liefde van God voor de mensen. In het evangelie van
Johannes is de paradox van het geloof dat de openbaring van die verheerlijking haar
voltooiing bereikt op het kruis. God heeft aan Jezus de macht gegeven om aan alles wat
leeft het eeuwig leven te schenken. Als wij God en Jezus kennen, dan hebben we
eeuwig leven. Maar wat betekent hier ‘kennen’? In de Bijbel betekent ‘kennen’
liefhebben, kennen van aangezicht tot aangezicht. Wij kunnen God kennen zoals Hij zich
in de menselijke maat geopenbaard heeft in Jezus. Meer is voor ons niet te bevatten,
ontoegankelijk. Mozes mag het aangezicht van God niet zien en ook Elia ziet God in het
voorbijgaan.
Wat betekent ‘eeuwig’? Dat is niet iets wat maar oneindig doorgaat. Wij mensen kunnen
niet anders dan denken in tijd en ruimte. In verleden, heden en toekomst, gisteren,
vandaag en morgen. We spreken van ruimte, dit en dat, hier en daar en om van hier naar
daar te komen is tijd nodig. Bij God is alles ineen: Hij kent geen ruimte en tijd. Hij is voor
alle tijden en heeft geen begin en einde. Hij is alles in allen. Wat in God één is,
ongeschapen, heeft Hij in de schepping uiteen gelegd. Scheppen is scheiden: licht en
donker, dag en nacht. Wij kunnen alleen denken in scheidingen, tegenstellingen, licht en
donker, goed en kwaad, dood en leven. Als wij God liefhebben, in onze beste momenten
bij God zijn, dan worden we hier in dit leven al boven alle scheidingen uitgetild, en
mogen we deelhebben aan de eenheid van God. Dat is eeuwig leven: dat onze grote
momenten van liefde bewaard zijn bij God.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 21 mei 2017

6 zondag van pasen

Handelingen 8, 5-8, 14-17
Johannes 14, 15-21

In de laatste hoofdstukken van het evangelie van Johannes, in de afscheidswoorden van Jezus en het zogenaamde Hogepriesterlijk gebed is de liefde het grote thema. Zo ook in de lezing van deze zondag. Typisch voor Johannes is de driehoeksverhouding tussen God de Vader, Jezus en de volgelingen van Jezus, de gelovigen. God de Vader heeft Jezus lief en die liefde is wederkerig. De liefde van de Vader wordt zichtbaar en tastbaar in de liefde en trouw van Jezus aan zijn Vader, een onlosmakelijke band. Van die liefde getuigt Jezus in zijn leven in woord en daad en openbaart aan zijn volgelingen de liefde van God voor de mensen. Jezus is de bemiddelaar. Wat hij van zijn Vader ontvangt, geeft hij door aan de mensen en wijst ons zo de weg naar de Vader. Toch is er een voorwaarde. Jezus openbaart zich niet zomaar aan iedereen. Johannes spreekt over de tegenstelling tussen de wereld en de gelovige. Bij Johannes is de wereld de houding van mensen die leven in oppervlakkigheid en onwaarachtigheid en zich afsluiten voor de boodschap van Jezus, voor licht en zingeving. Zij worden bedoeld met de duisternis die het licht niet heeft aanvaard.
We kunnen iemand slechts op diepere wijze kennen als we ons inleven in de ander, meeleven, een stuk van de levensweg samen gaan. Zo is het ook met Jezus. Hij zal zich alleen openbaren aan hen die Hem willen volgen en hun levensweg met Hem willen delen, op weg willen gaan met Hem. Dat zijn gelovigen die leven naar zijn geboden en Hem liefhebben. Maar Jezus zal niet meer onder ons zijn en daarom bidt Hij tot de Vader ons de Trooster te zenden, de Parakleet, voorspreker, advocaat die ons helpt en bijstaat. Johannes spreekt over de Geest der waarheid die de wereld niet kan ontvangen. Waarheid in de betekenis van waarachtigheid, echtheid. Een leven van waarachtigheid en diepgang in tegenstelling tot een oppervlakkig leven van vluchtigheid, schijn en leugen. De kracht van die Geest heeft de Kerk staande gehouden door alle eeuwen heen en heeft onze soms zo kleine vlam van het geloof opnieuw aangeblazen.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 14 mei 2017

5e zondag van pasen

Handelingen 6, 1-7
Johannes 14, 1-12

De afscheidsrede van Jezus, zijn laatste toespraak voor zijn heengaan, is in eerste instantie tot de leerlingen van toen gericht maar over hun hoofden heen ook voor ons bestemd. ‘Als jullie Mij hebben leren kennen, zul je ook mijn Vader kennen.’ Zo sprekend lijken Zij op elkaar. Zij zijn in elkaar als één. Jezus is in de Vader en de Vader is in Hem. De Vader treedt in en door Jezus onze wereld binnen. In Jezus is Hij te zien, te horen en aan te raken. Hij openbaart zich in Jezus. Hij spreekt door Hem en werkt door Hem. De Heilige, de Onnoembare is in Hem heel dichtbij gekomen. Hij is onder ons: dat is de diepste betekenis van de menswording. Het woord is vlees geworden, het is onder ons komen wonen. Wie Mij ziet, ziet de Vader. Eén van Jezus’ namen is Emmanuel en dat wil zeggen: ‘God met ons’. Het is diepzinnig maar toch heel eenvoudig. ‘Wie mij liefheeft, zal mijn woorden onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben. Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem houden.’ Jezus voert naar de Vader. Meegaan met Hem is opgang naar God, ingaan in God. In Mij, in U, in de Vader, het wordt allemaal in één adem genoemd.

J. Smiers
 

Overdenking 7 mei 2017

4e zondag van pasen

Handelingen 2, 14a. 36-41
Johannes 10. 1-10

In het evangelie naar Johannes zegt Jezus: 'Ik geef mijn leven voor mijn schapen.' Met hart en ziel zorg hebben voor de medemens. De zorg waarin je je zelf geeft en daarmee ook zelf het leven vindt. Als je door de deur, die Jezus is, zijn Vaders huis binnen gaat, dan geldt de wet van de sterkste niet meer, niet de wet van ieder voor zich. Bij Jezus binnen geldt de zorg om de zwakken, het leven waarin iedereen tot zijn recht komt. Die wijze van leven neem je mee naar buiten als je door de deur, die Jezus is, zijn Vaders huis uitgaat. Ook daar buiten leef je dan met hart en ziel voor de medemens en voor al het levende. Dat is te zeggen, je streeft ernaar. Daarom heb je het telkens weer nodig om door de deur Jezus zijn Vaders huis binnen te gaan en zijn woorden in je op te nemen: ‘heb met hart en ziel zorg voor mensen en voor al het levende’. Zo proberen wij, ieder op zijn of haar wijze, bij te dragen aan waarachtig leven. Jezus: “Ik ben de deur van mijn schapen. Als iemand door Mij binnen gaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed.”


J. Smiers
 

Overdenkingen 30 april 2017

3e zondag van Pasen

Handelingen 2, 14. 22-32 Lucas 24, 13-35

Tussen de beide lezingen van deze zondag ligt een wereld van verschil. Het is het verschil tussen ongeloof en geloof. De lezingen laten zien wat er met een mens kan gebeuren als het mysterie van Pasen een ervaring wordt, een levende werkelijkheid. De vrouwen vertellen aan de apostelen hun belevenissen van het lege graf en wat de mannen gezegd hebben over de opstanding. En deze woorden schenen voor de apostelen zotteklap en zij geloofden ze niet. We zien dat ook voor de apostelen alles niet direct duidelijk is en geloofd kan worden. Ze hebben hun twijfel en dat zouden wij ook hebben. Een geloof kan niet alleen gebouwd zijn op horen zeggen. Voor een echt geloof is meer nodig, een persoonlijke ervaring, geraakt, aangeraakt worden. Dat gebeurt in het verhaal van de mannen op weg naar Emmaüs. Ontgoocheld door alles wat er gebeurd is met Jezus op wie zij al hun hoop hadden gevestigd, vertellen zij hun verhaal aan de man die met hen meeloopt en zich voor onwetend houdt. Ook zij hebben van horen zeggen, ‘het verhaal gaat’. Dan zegt de onbekende: “O onverstandige en trage van hart, dat gij niet alles gelooft wat de profeten gesproken hebben.” Hij legt hen de Schriften uit. Ze komen bij Emmaüs. Het loopt tegen de avond en ze dringen erop aan dat de onbekende bij hen blijft. Als hij hen bij het avondmaal het brood reikt, herkennen ze Hem. Dan zien zij ineens met andere ogen en valt alles op zijn plaats en begrijpen zij wat Jezus gezegd heeft. Geloven is zien met andere ogen, met een andere kijk op de werkelijkheid, met een ander perspectief. Door het geloof worden onze ogen geopend zoals de ogen van de Emmaüsgangers. In de eerste lezing uit Handelingen heeft de twijfel en het ongeloof van de apostelen plaats gemaakt voor een krachtig geloof. Wat is er gebeurd? De apostelen worden op Pinksteren bezield door de Heilige Geest en gaan de straat op om te verkondigen. Petrus getuigt van de opstanding van Christus. Bange en twijfelende leerlingen worden door het geloof grondleggers van de Kerk.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 23 april 2017

Beloken pasen

Handelingen 2, 42-47
Johannes 20, 19-31

In het evangelie van Johannes wordt de band tussen Jezus en zijn Vader op bijzondere wijze benadrukt. Wat Jezus doet, doet hij uit kracht van zijn Vader. Bij Johannes is de opdracht van Jezus in deze wereld de heerlijkheid van God te openbaren, in de duisternis van deze wereld het licht van God te laten schijnen. De heerlijkheid van God is zijn liefde. Van die liefde heeft Jezus in zijn leven getuigd tot het uiterste toe. De laatste hoofdstukken van het evangelie van Johannes gaan dan ook over de liefde. Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad: blijft in mijn liefde. Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt. De openbaring van de heerlijkheid, de liefde van God krijgt voor de evangelist Johannes zijn voltooiing op het kruis. De weg van het kruis is de weg van het licht. De laatst woorden van Jezus zijn: “ het is volbracht”. Dat betekent niet alleen dat het lijden volbracht is maar veel meer dat de taak van Jezus, de heerlijkheid van God te openbaren, voltooid is, volbracht. Jezus heeft de liefde van God aan ons geopenbaard tot in de dood. Alles is gezegd, alles is gedaan. Als het evangelie van Johannes geëindigd was met de laatste woorden van Jezus, dan hadden we in wezen niets gemist. Jezus heeft immers gezegd: ik ben het leven, de opstanding. Wie in mij gelooft, zal leven ook al is hij gestorven. Maar omdat wij dat nog niet kunnen geloven zijn er bij Johannes de verhalen van de opstanding en de verschijning van Jezus als een soort toegift.
Op de avond van de verrijzenis verschijnt Jezus aan zijn leerlingen en ontvangen zij de Heilige Geest. Bij Johannes vallen Pasen en Pinksteren samen. Alleen door de kracht en de bezieling van de Heilige Geest kunnen we geloven, wordt ons duistere verstand verlicht en worden de woorden van Jezus voor ons duidelijk, worden werkelijkheid voor ons. Eerst zien en dan geloven? Nee. We kunnen de verrezen Christus alleen zien, de heerlijkheid van God ervaren als we zien met de ogen van het geloof.

Jan Verhoeven
 

Overdenkingen 9 april 2017

Matteüs 21, 1-11
Jesaja 50, 4-7
Matteüs 26, 14 - 27, 66

Met: 'Gedenk o mens dat je stof bent', begonnen we de vastentijd. Dat betekent niet ‘Je bent waardeloos’. Neen, je bent juist hard nodig op de plaats waar je staat. Weet allen wie je bent? Geen held, geen superman maar een geroepene. Over Jezus zegt Paulus: ‘Hij was rechtens God gelijk maar heeft zich ontdaan van alle heersersdrang. Meer nog, Hij werd ons aller slaaf vanuit een nieuwe solidariteit.’ Nu kan het licht doorbreken in deze schijnbaar sterke maar o zo wankele wereld. De nieuwe koning van Jeruzalem ontvangen betekent waakzaam zijn, de deuren open houden voor zijn vrede en doen wat er gedaan moet worden. De laatste bladzijde van Gods geschiedenis zal pas geschreven zijn als mensen zich menselijk gaan gedragen. Als iemand beweert dat God niet bestaat, zeg dan ‘en toch sta ik naast je.’ Dan kan de koning van Jeruzalem ons aan zijn rechterhand neerzetten en zeggen: ‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat in de gevangenis en jullie lieten me niet in de steek. Ik was een vreemdeling en jullie huisvestten mij, ik was naakt en jullie kleedden mij.’ We gaan de Goede Week vieren en verder bouwen aan zijn wereld.
De koning van Jeruzalem zal tot ons zeggen: ‘Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is.’
J. Smiers
 

Overdenking 2 april 2017

5e zondag Veertigdagentijd

Zondag 20 november 2016 34e zondag door het jaar

Ezechiël 37, 12-14
Johannes 11, 1-45

In dit levensverhaal wordt de dood de mond gesnoerd. De dood, de kapotmaker, de allesvernietiger wordt overwonnen. In de naam van de God van de levenden. Want dat wil het verhaal eigenlijk vertellen. De opwekking van Lazarus is niet een super stunt van Jezus en ook geen vriendjespolitiek. Want waarom Zijn vriend wel en niet de mijne? Neen, het machtige optreden van Jezus moet je zien als de overmacht van God op de dood. Jezus haalt als het ware de dag van de opstanding naar voren toe. Het is een voorproefje van Pasen, het feest van Jezus eigen overwinning op de dood. Overal om ons heen heerst de dood. Maar ook zijn er de Maria’s en de Marta’s. Zij leggen het hoofd niet in de schoot maar komen in opstand tegen de dood en roepen daarbij vrienden te hulp.
Kom naar buiten en leef! Recht je schouders en sta op! Maak een eind aan de onderdrukking van onrecht en valsheid. Want het evangelie, het goede nieuws van vandaag vertelt dat de dood niet het laatste woord heeft. Als volgelingen van Jezus zijn ook wij geroepen de dood te keren en het leven terug te brengen in de mensen. Zonder rusten moeten wij zoeken naar het goede, het trouwe en het lieve in de mensen om ons heen en in ons zelf. Opdat het leven in ons terugkeert en wij opnieuw tot leven komen zoals de bomen en struiken na een donkere en koude winter. Midden in de dood is Hij, het leven.


J. Smiers
 

Overdenkingen 26 maart 2017

4e zondag veertigdagentijd

1 Samuël 16, 1b, 6-7, 10-13a
Johannes 9, 1-41

We zien iemand voor de eerste keer en vaak hebben we meteen onze mening of oordeel klaar. We kijken naar het uiterlijk en trekken conclusies over iemands leefwijze en karakter. Daar gaat het ondermeer over in de beide lezingen van deze zondag. God heeft Saul, de eerste koning van Israël, verworpen en geeft aan de profeet Samuël de opdracht naar Bethlehem te gaan om daar een van de zonen van Isaï tot nieuwe koning te zalven. Samuël ziet de zonen en denkt dat Eliab wel degene zal zijn die hij moet zalven tot koning. Maar God zegt tegen Samuël: let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor de ogen is maar de Heer ziet naar het hart. Zeven zonen van Isaï gaan aan Samuël voorbij en geen van hen heeft de Heer verkoren. Zijn dit alle jongens, vraagt Samuël. Nee, de jongste weidt de schapen. Hij wordt gehaald en God zegt tot Samuël: sta op, zalf hem want deze is het.
In het evangelie lezen we dat Jezus een blinde ziet. De discipelen vragen: wie heeft er gezondigd, deze man of zijn ouders dat hij blind geboren is. Een vraag die niet zo verbazingwekkend is want in het O.T. hebben ziekte of een gebrek altijd te maken met zonde. Jezus antwoordt dat niemand gezondigd heeft maar de werken van God moeten in deze blinde openbaar worden. In het evangelie van Johannes is dit de taak van Jezus de werken van God, de heerlijkheid van God openbaar te maken. In de ontmoeting met mensen openbaart Jezus zich en daarmee God die hem gezonden heeft. Aan de Samaritaanse vrouw als het levend water, aan de blinde die hij de ogen opent als het licht der wereld en aan de zuster van de gestorven Lazarus als het leven, de opstanding. Door Jezus worden mensen verlost van hun verleden, weer in de gemeenschap opgenomen en beginnen een nieuw leven. “Waar Hij voorbij ging, werd het licht”.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 19 maart 2017

34e zondag door het jaar

Exodus 17, 3-7
Johannes 4, 5-42

Het Joodse volk trekt door de woestijn van pleisterplaats tot pleisterplaats. Als het zijn kamp opslaat in Rafidim is er geen water en het volk mort tegen Mozes. Dat is niet de eerste keer. Het volk morde tegen Mozes in Mara toen het water bitter was en het morde toen het honger had. En steeds hetzelfde verwijt tegen Mozes: waarom heb je ons uit Egypte weggeleid. Waren we maar door de hand van de Heer in Egypte gestorven toen we bij de vleespotten zaten en volop brood aten. Dat is beter dan in de woestijn om te komen van honger en dorst. Het volk stelt weinig vertrouwen in God. God heeft het bevrijd uit de slavernij van Egypte en droogvoets geleid door de Schelfzee. God heeft het bittere water zoet gemaakt en brood, manna uit de hemel gegeven. Maar toch steeds dat ongeloof in de vraag: “is de Heer in ons midden of niet?” Zou de God van de aartsvaders, de God van het verbond zijn volk laten sterven in de woestijn?
Wij mensen willen altijd zekerheid en durven het oude niet los te laten. De zekerheid van Egypte waar je volop te eten hebt. Je bent dan wel onvrij maar er wordt voor je gezorgd en je hoeft zelf geen verantwoording te nemen. Een sterke man die alles regelt is wel gemakkelijk maar ook gevaarlijk. Uit die slaap van de zekerheid en zelfgenoegzaamheid wekt God ons om het avontuur met Hem aan te gaan. Abram wordt uit de zekerheid van zijn bestaan weggeroepen om op weg te gaan naar een onbekend land dat God hem wijzen zal. Uit een zeker bestaan trekt hij weg naar het onbekende. Geloven is het oude vertrouwde durven loslaten, opstaan en op weg gaan een onbekende toekomst tegemoet met het vertrouwen dat God ons leiden zal.
In het evangelie van Johannes voert Jezus lange, diepzinnige gesprekken met mensen om de waarheid in hen openbaar te maken en ze licht te maken. Vandaag het gesprek met de Samaritaanse vrouw. Jezus bevrijdt haar van haar drukkende verleden. Ze mag loslaten en drinken van het levend water.
J. Verhoeven
 

Overdenkingen 12 maart 2017

4e zondag door het jaar

Genesis 12, 1-4a
Matteüs 17, 1-9

Aanvaarding van jezelf, verzoening met je leven zoals dat loopt, is een proces waar ook wij mee te maken krijgen. Bijvoorbeeld bij ziekte of werkloosheid. Ieder mens is in mindere of meerdere mate invalide. Oh je weet allang wat je niet kunt en wat je mankeert. Maar tussen weten en aanvaarden ligt vaak een lange pijnlijke weg. Soms zou je het wel uit willen schreeuwen. Een zware klim. Pas wanneer je onvermogen, je onvolmaaktheid, je gebrokenheid en eindigheid een deel gaat worden van jezelf en je ermee leert leven, dan pas kun je helen, vind je de rust die je de kracht geeft jouw weg te gaan. Je plaatst je opnieuw in het leven met een nieuw perspectief. Je maakt een nieuwe start. Er is moed voor nodig om die berg te beklimmen, de stilte toe te laten, jezelf in je eindigheid en onvolmaaktheid te zien. Het moeilijke proces van aanvaarding heeft een helende rol. Helend, daar zit het woord heil in, iets goddelijks. Helend, heel, dat wil zeggen minder verdeeld of verscheurd, opgenomen in het alles omvattende, het zingevende in God die ook de Vader en Schepper wordt genoemd.


J. Smiers
 

Overdenkingen 5 maart 2017

1e zondag Veertigdagentijd

Genesis 2, 7-9,3, 1-7
Matteüs 4, 1-11


Wat kan ik vangen? Wat kan ik eraan verdienen? De vastentijd helpt ons om samen na te denken over al die vluchtwegen in ons leven, al die bekoringen. Van bekoring naar bekering. Het scheelt maar één letter maar daar draait het precies om. Teruggaan naar de grondvragen van je bestaan. Weten dat het leven meer is dan het genot van het kopen en het steeds meer willen hebben. Het leven, zegt Jezus, is meer dan brood alleen. Waarom kijken wij mensen altijd naar het ongewone, naar het niet alledaagse en weten wij de gewone dingen in het leven nauwelijks te waarderen. Hongersnood hoeft geen toekomst te hebben als jullie het brood maar delen. Geniet van het bestaan. Verberg je als mens niet langer achter allerlei theorieën en grote woorden. Zijn jullie dan echt alleen maar geïnteresseerd in wat deze wereld opbrengt? Zij wilden zelf hun toekomst bepalen en zich niet laten leiden door God. Dat is de bekoring van alle tijden! Bekeren, je omkeren, je vluchtwegen verlaten. Je door Gods woord laten arresteren, je hoofd buigen, schuld bekennen, uithuilen en opnieuw beginnen. Ik wens u een goede voorbereiding op het Paasfeest toe.


J. Smiers
 

Overdenkingen 26 februari 2017

Jesaja 49, 14-15
Matteüs 6, 24-34

Maakt u niet bezorgd. De evangelist Matteüs heeft makkelijk praten. Natuurlijk hebben we zorgen. We moeten zorgen dat we in ons levensonderhoud kunnen voorzien, dat de vaste lasten, eten en kleding betaald worden. In deze tijd is dat voor heel veel mensen een terechte zorg. Wat anders is het als mensen die goed kunnen rondkomen altijd bezig zijn met geld, het ene hebben en weer reikhalzend uitzien naar iets anders. Aan het willen hebben komt nooit een einde. De behoefte raakt nooit bevredigd en een innerlijke onrust maakt zich van deze mensen meester. Dat gebeurt als je kiest voor de Mammon, voor het geld, als je geld en materieel bezit voor jezelf de hoogste waarden zijn. Je zult bezorgd zijn om het te behouden en niet te verliezen en zorgen dat je nog meer krijgt.
Er kan ook voor God gekozen worden. Dan is niet meer de hoogste waarde het materiële bezit maar iets wat daar bovenuit gaat. Matteüs spreekt over het zoeken naar Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid. Doelstellingen en idealen die verder reiken dan het puur materiële. Hoe kan ik aan mijn leven een zinvolle invulling geven. Hoe kan ik mij ontplooien als mens in de diepste zin van het woord. Niet alleen door de bezorgdheid voor mijzelf maar door de zorg voor de ander in de vorm van medeleven, hulp en verantwoordelijkheid. Een medemens tot zijn recht laten komen door hem of haar vertrouwen te schenken, hoop te geven, liefde. De Franse filosoof Gabriel Marcel zei eens: de ander is mijn toekomst. Als ik zo met de ander omga dan zal ikzelf innerlijk een rijker mens worden. Dan heb ik mij bewust of onbewust gericht op het hoogste einddoel, God. Dan zal ik ervaren dat God die mij naar zich toetrekt, mij ook draagt als mijn diepste grond. Ja, dan maakt de onrust plaats voor de rust van het geloof. Natuurlijk moeten we vooruit kijken en handelen maar wel wetend dat we niet alles kunnen regelen en overzien. Geloven betekent je overgeven aan God, vertrouwen dat het met Zijn hulp en zorg voor ons goed zal komen.

J. Verhoeven
 

Overdenkingen 19 februari 2017

Leviticus 19, 1-2 en 17-18
Mattheüs 5, 38-48

God spreekt via Mozes tot het Joodse volk: “Heilig zult gij zijn want Ik, de Here uw God, ben heilig. Bij heiligen denken we aan de grote namen van de geloofsgetuigen door de eeuwen heen zoals we ze kennen uit de litanie van Allerheiligen. We stellen ons perfecte mensen voor bij wie wij niet in de schaduw kunnen staan. Heiligen, mystici, die teruggetrokken in stille oorden leefden, verzonken in contemplatie. Zeker, van tijd tot tijd deden ze dat om zich spiritueel op te laden zoals Jezus zich af en toe terugtrok naar een stille plaats om te bidden met zijn Vader. Maar ze wisten dat hun taak in de wereld lag, armen helpen, zieken verzorgen, mensen met wijze raad en daad terzijde staan. Mensen zoals u en ik die op bijzondere wijze gehoor hebben gegeven aan hun roeping. Franciscus van Assisi is niet heilig omdat hij met vogels sprak maar omdat hij een melaatse kuste. Hij zag dat de rijkdom van de Kerk die niet strookte met het armoede- ideaal van Jezus en werd solidair met de armen.
Heilig betekent apart gesteld, bestemd voor een bijzondere opdracht. Het Joodse volk moet heilig zijn. Het Joodse volk mag niet zijn als de andere volken, de heidenen. Het heeft de opdracht een moreel voorbeeld te zijn voor de andere volken. In het O.T. wordt beschreven hoe het Joodse volk zich met vallen en opstaan, losmaakt van de goden van de heidenen en hun gebruiken maar ook steeds weer terugvalt. God is heilig omdat Hij geen god is van hout en steen maar de ene ware God die een verbond gesloten heeft met zijn volk, die zijn volk beschermt, bevrijdt en redt.
In het O.T. heeft “oog om oog, tand om tand” de betekenis dat een straf niet buiten proportie mag zijn. Dat was in die tijd een grote vooruitgang, een paal en perk stellen aan een straf die niet in verhouding staat tot het vergrijp. Jezus gaat verder. Vergeld niet maar stel tegenover geweld vrede, geeft meer dan iemand van je vraagt. Streef in de liefde naar volmaaktheid.


J. Verhoeven
 

Overdenkingen 12 februari 2017

Sirach 15, 15-20
Matteüs 5, 17-37

Veel mensen zijn in onze tijd op zoek naar de weg naar binnen. De weg van je diepste innerlijke waar je mag zijn zoals je bent zonder maskerades. Steeds meer mensen proberen door de spelregels heen te stoten naar het spel van God met de mensen. Wie ben ik eigenlijk? Wie ben ik dat ik dit leven mag leiden? Wie ben ik dat ik mensen in liefde en vriendschap mag vasthouden?
Welvaart en bezit zijn in het Westen toegenomen ondanks de crisis. Ten koste waarvan? Van mensen elders in de wereld en van ons eigen leefmilieu. Die prijs is erg hoog aan het worden. Geld en bezittingen zijn in ons leven belangrijk om het spel om de knikkers mee te kunnen spelen. De vraag is alleen of we de knikkers zo langzamerhand niet belangrijker vinden dan het spel.
Een man nam eens een rijke man bij de hand en vroeg hem om door het raam naar buiten te kijken en vroeg: ‘Wat zie je?’ ‘Ik zie allemaal mensen lopen’, was het antwoord. Daarna liet de man hem in de spiegel kijken en vroeg: ‘Wat zie je nu?’ De rijke man antwoordde: ‘Alleen me zelf.’ ‘Dat klopt’, zei de man ‘want in een raam zit doorzichtig glas, achter een spiegel zit zilver, daardoor zie je jezelf. Overal waar zilver in het spel is zien mensen alleen zichzelf en niet de ander.’
Zo vat Jezus de Tien Geboden samen in twee geboden, het gebod van de liefde: ‘Bemin uw God en uw naaste als uzelf. Vergeet niet dat het tweede gebod gelijk is aan het eerste.’
In ons leven gaat het spel inderdaad om de liefde. De knikkers horen erbij maar mogen niet het einddoel
 
Pagina's in deze sectie:

Archief:  Artikelen eerder op deze pagina gepubliceerd