Lucas Parochie Amsterdam 
 
 
 

Maurice Langemaat 23/24 mei 2009

Overweging 23-24 Mei Navertellen of doorvertellen

Wie van jullie hier aanwezig kan de tekst van het evangelie van Johannes navertellen? Degene die dat denkt te kunnen mag zijn hand opsteken.
Gelukkig niet zo veel, want dat rijmt mooi met mijn eigen ervaring. Het was een lastige tekst met veel over elkaar buitelende begrippen. We vallen midden in een gebed van Jezus dat hij richt tot de Vader met veel verschillende thema's en belangrijke zaken.
Kortom we hebben vandaag een moeilijke tekst van Johannes voor onze kiezen. Om het goed te begrijpen is de context waarin Jezus dit zegt heel belangrijk. Jezus richt zich in dit gebed tot de Vader met al zijn leerlingen om zich heen. Dit vindt plaats op het moment na het laatste avondmaal en voordat hij naar het hof van olijven vertrok alwaar hij gearresteerd zou worden.
De grote vraag die mij bezighoud is waarom Johannes nu juist dit gebed opgeschreven hebben? het is toch niet het enige moment geweest waarop Jezus in het openbaar bad. Maar het antwoord vinden we in de tekst zelf. De tekst is eigenlijk Jezus' mission statement, zijn plannen met de wereld en met zijn leerlingen. Als Jezus spreekt over hen, dan bedoelt hij zijn leerlingen. Niet alleen zijn leerlingen van 2000 jaar geleden, maar hij schrijft bovenal over ons, zijn leerlingen anno 2009. De grote thema's van het gebed heb ik voor het gemak maar even samengevat.

De grote thema's in zijn gebed zijn:
Jezus vraagt aan de Vader hen te bewaren zoals hij dat heeft gedaan tijdens zij leven.
Hij zegt dit alles, zodat alles vervuld mag worden van zijn vreugde.
De mensen die hij de Vader toevertrouwd zijn/ leven in deze wereld, maar zijn (door het geloof of woord van God) niet van deze wereld.
Jezus vraagt de Vader ons toe te wijden in waarheid om zo in deze wereld te getuigen.

Vooral het begrip 'wereld' zorgt voor de nodige spanning. Zo is er aan de ene kant een wereld die God zo lief heeft dat hij zijn Zoon ernaar toe zendt, maar aan de andere kant is deze wereld een plaats of groep mensen die God en iedere gelovige haat. Een wereld waarin wij leven er er tegelijkertijd niet van zijn. Deze wereld wordt niet alleen gekenmerkt door liefde, vriendschap en vrede. Het is ook een wereld waar geen plaats is voor God, waar hij werd vermoord aan een kruis. Een wereld die God haat om zijn goede werken en die iedere gelovige haat om het feit dat zij geloven. Een wereld waarin cynisme, angst en haat voor onbekenden hoogtij vieren. Een wereld waar geld, macht en aanzien belangrijker blijken te zijn dan vele mensenlevens. Een wereld die mensen geen gelijk bestaan gunt alleen maar vanwege de kleur van je huid, je afkomst of je geslacht. Een wereld die ons wil doen geloven dat God niet bestaat. Een wereld die ons doet geloven dat ons geloof geen toekomst heeft en alle kerken moeten sluiten. Een wereld waar wij middenin staan.

Johannes schrijft over ons dat we niet van deze wereld zijn, maar we zijn of leven wel in de wereld. Hij zegt daarmee dat we hier in deze wereld en maatschappij leven, maar dat ons leven niet alleen door aardse zaken volledig gevuld kan worden. Het zal nooit ons diepste verlangen kunnen stillen. Het verlangen dat God in ieder van ons heeft gelegd om hem te ontmoeten is niet te compenseren met onze aardse genoegens. En juist dit 'in de wereld staan' is goed omdat wij kunnen laten zien hoe God het met de wereld voor heeft. En dat er een God is, die dit verlangen in ons legt, blijft geloof, maar dat wil niet zeggen dat het een mindere vorm van kennis is. Geloven is ook weten dat er iemand is. Dat kan ik aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken. Als ik achter het altaar kniel zien jullie me niet meer, maar toch weten jullie dat ik er ben. Zoals God tegen Mozes zei: ik ben die er zijn zal. Zo mogen wij er ook op vertrouwen en geloven. Zo mogen wij 'weten' dat God er voor ons wil zijn.

Johannes laat ons zien dat wij hier een moeilijke maar duidelijke opdracht hebben gekregen van Jezus. Zoals u mij naar de wereld heeft gezonden, zo heb Ik hen naar de wereld gezonden. Wij hebben hier een belangrijke opdracht te doen, namelijk zoals Jezus de blijde boodschap verkondigen. Dit is een boodschap, een geloof waardoor anderen je zullen haten. Maar bovenal is het een boodschap en een geloof dat je vervult met een intens diepe vreugde. Een goddelijke vreugde die alles in vuur en vlam zet. Het is een vreugde die mensen doet leven en genieten van de schepping en van elkaar. Het is een vreugde die een bron heeft in God. Het is geloof en een leven dat gebouwd is op een stevige vaste rots, Rock Solid!

We kunnen ook ons leven bouwen op het mulle zand van de beloften van deze wereld, waarin beperkt houdbare schoonheid, tijdelijke rijkdom, macht en aanzien ons fundering zouden kunnen zijn. Maar maakt dat gelukkig? Zorgen deze tijdelijke zekerheden voor een leven dat echt gelukkig maakt of zijn er belangrijkere dingen in het leven. Toch zijn het deze zaken waar ieder mens gevoelig voor is, zoals Jezus aan de Vader vraagt: Behoedt hen voor de macht van het kwaad.
Het kwaad als datgene dat ons afhoudt van God. Maar hoewel we een eigen verantwoordelijkheid hebben hoeven we het allemaal niet alleen te doen.

Wanneer doen we dat in ons leven? Wanneer vertrouwen we God onze problemen toe en vragen we hem om ons te helpen?
Zo schrijft Johannes dat Jezus de Vader vraagt ons te bewaren en te beschermen. Maar zoals we hoorden in de eerste lezing is het de ook de Heilige Geest die hulp kan bieden bij onze opdracht in het leven. We hoeven het dus niet alleen te doen, want zelfs de apostelen vroegen de Heilige Geest om hulp bij hun keuze om de 12 weer compleet te maken. Om ons leven compleet te maken mogen we de Geest vragen om ons te vullen met die vreugde waar Jezus over sprak. Soms mogen we die vreugde even ervaren en is het alsof de hemel ons raakt.

Deze vreugde is iets dat we door moeten geven. Het is een kostbaar geschenk dat God ons geeft en waarvan we mogen getuigen. En waar ontdekken we deze vreugde van God? Misschien zometeen als we elkaar de vrede van Christus wensen of tijdens een goed gesprek of in deze viering. Maar bijvoorbeeld ook in de liefdevolle verzorging voor onze ouderen. En nu ook op vrijdagavond als jongens en meiden hier in de parochie zich vermaken met gekke en leuke spellen, verhalen over Jezus horen en uiteindelijk lekker chillen. Deze tieners zijn bezig met veel plezier en vreugde een geloof te ontdekken dat staat als een rots, waar je je leven op kunt bouwen. Want of je nu piloot, brandweerman, huisarts of minister president wilt worden met de vreugde en een Rock Solid geloof kom je er wel!

Laten wij deze vreugde zichtbaar maken in alle ontwikkelingen hier in onze parochie, in onze families, in onze wijk en stad. Laten we samen deze wereld doen ontdekken dat er wel degelijk een plaats is voor God. Waar Hij mag leven. Laten wij samen deze wereld zien dat cynisme, angst en haat niet de oplossingen zijn voor deze tijd. Laten we samen getuigen zijn van een wereld waarin de iedere mens belangrijker is dan geld, macht en aanzien. Laten we samen zorg dragen dat het een wereld wordt die mensen een gelijk bestaan gunt. Een wereld waarin wij geloven in God die ons vervult met Zijn vreugde. Een wereld waarin het geloof en de kerk toekomst heeft!

Laten wij onze energie niet stoppen in het letterlijk navertellen van het evangelie van Johannes, maar in het doorvertellen van de kern van Jezus gebed. Laten we zijn blijde boodschap doorvertellen aan iedereen die het maar wil horen. Laten we zijn vreugde in deze wereld uitstralen.
 

Jos Smiers 25 februari 2007

Er staat een zin in het evangelie die je tot nadenken stemt.
Er staat:
Dan zult ge kinderen zijn van de allerhoogste, die immers ook goed is
voor ondankbaren en slechten.
Hier word met andere woorden zonder meer gezegd , dat god onbeperkt goed is . Niet alleen voor goede mensen , niet alleen voor ondankbare mensen
maar ook , voor - om het maar gewoon in het Nederlands te zeggen - mispunten en dwarsliggers.
God bemint ook die mensen . Hoe kan dat ?
Je bemint toch alleen iemand of iets die goed is . Daar houd je van .Dat is doodnormaal . Onze liefde word getrokken tot het goede in de Ander . En niemand speelt het klaar om iets wat lelijk is of iemand die Lelijk is , om daar van te houden .
En nu zegt het evangelie dat god ook houdt van ondankbare en slechte Mensen .
Hoe god dat klaar speelt zal voor ons altijd wel een raadsel blijven .
Je kunt je alleen af vragen : wat gebeurt er dan als god ook mensen bemint
die niet goed zijn .
Wij weten dat god de schepper is van al war bestaat . Nu is scheppen
iets anders dan gewoon maken .
Scheppen is altijd veel creatiever, veel intensiever .
Een kunstennaar is bij het maken van zijn schepping veel onafhankelijker van wat er bestaat .
En zo is god als schepper volkomen onafhankelijk . Gods liefde wordt
niet getrokken tot dat wat goed is . Nee , Gods liefde maakt goed wat slecht is .
Als wij van iemand houden dan is het omdat die persoon goed is .
Als god van iemand houdt, dan is dat het gevolg dat die mens goed wordt .
Nu vraagt Jezus van ons iets moeilijks, maar ook iets zeer mooi s .
Hij vraagt aan ons : willen jullie ook eens proberen niet alleen iemand te beminnen die aan je hart ligt , maar ook iemand die je niet graag mag .
En dan zou het wel eens kunnen gebeuren dat die iemand daarna en daardoor goed en dankbaar word .
Dus dat jou liefde , net als Gods liefde scheppend wordt , creatief wordt het goed maakt .
En da moeilijke is mogelijk . Je kunt dat bij een kind zien , maar
evengoed bij een volwassene . Als je een kind een complimentje maakt dat doet dat kind in het vervolg nog veel beter .
Het is een bekend verschijnsel dat een kind dat liefde tekort komt
opgroeit tot een agressief mens .
Een kind dat in zijn jonge jaren liefde kreeg groeit dikwijls op
tot een fijn mens . Omdat liefde kweekt goedheid . Liefde maakt goedheid.
Dat is wat Jezus bedoelt wanneer hij zegt 'Als je bemint die goed voor je zijn, wel bijzonders doe je dan?
Bemin ook degene die je niet graag mag, dan wordt je kinderen van de
Allerhoogste.
En wij leven nog niet in een verloste wereld, er is nog geween, gejammer en oorlog op grote en kleine schaal.
Toch heeft Jezus voor ons geleden en zijn dood heeft alles met genezing te maken en met een nieuwe samenleving die er komen moet.
Maar zijn dood was ook een oproep en een begin, dat hij door ons wil
voltooien.
Hij is gedood door de vijanden van al wat hij voor mensen deed, door de vijanden van zijn ideeën. En zijn liefde voor mens was zo groot,
dat hij niet voorzichtig wilde zijn - zo die dood te ontlopen.
Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze hebben gedaan.
Zijn liefde voor kleinen en armen, voor de verdrukten en eenzamen
was zo groot, dat hij niet aan zelfbehoud dacht.
Hij geloofde in de geneeskracht van de liefde. Hij geloofde in de
vruchtbaarheid van een liefde die je desnoods je leven kost.
En dat het tegelijk het geheim van de nieuwe samenleving die hij bedoelde.
Wij weten allemaal uit eigen ervaring dat we op de liefde van anderen
zijn aangewezen - op de lifde van een ander mens, die op den duur aan
die liefde ten gronde gaat.
Als de samenleving beter wordt, meer verlost, naar Rijk van God
dan gebeurt dat stapje voor stapje door mensen die het de moeite
waard vinden om zich voor het geluk van anderen in te zetten.
Jezus heeft ons de weg gewezen. Dat is één van de diepe betekenissen
van zijn dood.
Zijn verlossende dood leert ons, dat we elkaar moeten redden.
We weten allemaal wel mensen om ons heen, ook hier in onze parochie
die we stuk kunnen maken, als we niet opnieuw beginnen met echt lief te hebben met verdragen en geven van jezelf.
En je moet ook af en toe eens voor jezelf bedenken, hoeveel mensen
een kruis gedragen hebben om jou goed te doen, om jou te genezen.
Ik houd het er op, dat Jezus van Nazareth ons wil blijven herinneren
aan die verlossende liefde, die zichzelf niet spaart en die de weg
naar de nieuwe samenleving baant.
Zijn kruis zegt mij iets van de liefde waardoor we elkaar moeten
genezen en verlossen wat het ook kost.
Daarom bid ik:
Dat onze liefde groot mag zijn, groot genoeg om over grenzen heen
de vreemdelingen onze hand te reiken.
Dat onze liefde wijd mag zijn, wijd genoeg om de ravijnen van de
vijandschap en haat te overbruggen.
Dat onze liefde warm mag zijn, warm genoeg om in de koude nacht
de dagen met wat vrede te dekken.
Dat onze liefde diep mag zijn, diep genoeg geworteld in de ziel
om in de droge tijden stand te houden.
Dat allen die zijn liefde niet kennen of begrijpen bewogen mogen
worden, op zoek te gaan naar vele tekens van zijn zorg om ons heen.
Ala we dit aandurven als we dit moeilijke evangelie durven te
volgen dan zullen ook wij kinderen zijn van de Allerhoogste.
Amen.
 

Joannes 2, 1-12

En op de derde dag geschiedde er een bruiloft te Kana in Galilea,
en de moeder van Jezus was daar.
Ook Jezus was genodigd met zijn leerlingen voor de bruiloft.
En omdat de wijn ontbrak,
zegt de moeder van Jezus tot hem:
'Ze hebben geen wijn'.
Jezus zegt tot haar:
'Wat is dat voor mij en voor u, vrouw?
Mijn uur is nog niet gekomen'.
Zijn moeder zegt tot de bedienden:
'Alles wat hij jullie zegt, moet je doen'.
Nu stonden daar zes stenen waterkruiken
voor de gebruikelijke reiniging van de joden;
ze bevatten elk twee of drie metreten.
Jezus zegt hun:
'Vult de kruiken met water'.
En zij vulden ze tot de rand.
En hij zegt hun:
'Schept er nu wat uit
en brengt dat naar de voorganger'.
Dat deden ze.


Toen nu de voorganger geproefd had
van het water dat wijn geworden was
- hij wist niet waar die vandaan komt,
maar de bedienden die het water geschept hadden, wisten het wel -,
nu roept de voorganger de bruidegom en zegt hem:
&Ieder mens zet eerst de beste wijn op tafel,
en als ze dan beneveld zijn geraakt,
dan pas de mindere wijn;
maar jij, - jij hebt de beste wijn bewaard tot nu toe&.
Zo maakte Jezus een beginsel van de tekenen
te Kana in Galilea;
en hij openbaarde zijn heerlijkheid,
en zijn leerlingen gingen in hem geloven.
Daarna daalde hij af naar Kafarnaüm,
hijzelf en zijn moeder en zijn broeders en zijn leerlingen,
en daar verbleven zij slechts enkele dagen.
 

Gastpreken afgelopen jaar(2005/06)

Pastoor Nico van der Peet in de Lucas(7 mei 2006)
Ds. Bakker in de Lucas(22 januari 2006)
Pastor Colm Dekker in de Opgang(15 januari 2006)
Pastor Laurent in de Lucas(14 mei 2005)
 

Nico van der Peet 7 mei 2006

Handelingen 4,8-12, Johannes 10, 11-18

De zondag van de Goede Herder, roepingenzondag vieren wij vandaag, op de vierde zondag van Pasen. Een herder doet niet anders dan roepen. Hij poogt in weer en wind, in alle seizoenen van het jaar en van het leven zijn kudde bijeen te houden. Iedere mens is op haar of zijn wijze geroepen om de kudde, het volk van God te versterken, bijeen te houden, te dienen.

In het oude testament wordt God de herder van zijn volk Israël genoemd. In de ballingschap was het volk, de kudde van de Heer verstrooid geraakt in de verwarring van de volken. Een volk, een mens kan de vaste grond waarop hij stond en leefde onder zijn of haar voeten voelen wegzakken. Dan moet hij of zij worden geroepen, teruggeroepen, naar weide en water. Zo gaat God met zijn volk om, en met iedere mens. De profeten en de psalmen van Israël hebben er de moed altijd in gehouden temidden van een zwervend, moedeloos volk. Zij profeteerden: de Heer zal jullie weer bijeen brengen op de velden van Israël. "Hij legt mij in grazige weiden, Hij geeft rust aan mijn ziel. Hij leidt mij naar rustige wateren om mijn ziel te verkwikken".
In het evangelie noemt Johannes zijn Heer Jezus de goede herder.
"Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen".
En verder horen wij: "Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren".

"Christus, de Herder, roept de zijnen", zingt een lied. Christus roept, iedere mens.
"Gij moet door Hem het rijk ingaan, hoort, want Hij roept u bij uw naam".
Roepingenzondag. De herder roept ieder van ons en er is geen tijd te verliezen.
De kerk vraagt van de pastores om deze zondag te preken over roeping. Roeping tot het pastorale werk, het priester- en diakenambt, het religieuze leven.

De Lucasparochie heeft niet te klagen. De herder van onze kerk van Haarlem, monseigneur Punt, heeft uw pastor geroepen naar onze Lucasgemeenschap. En hij heeft geantwoord. Een man die als geroepen kwam. Wat heb ik de grote herder, Christus, gedankt dat pastor Colm Dekker juist deze roeping heeft verstaan en beantwoord...nadat dezelfde herder van de kerk van Haarlem mij naar de kudde van Amsterdam-Noord had geroepen.
Het pastoraat, het herdersambt in Christus' kerk is een prachtige roeping (ik kan me alvast niets mooiers bedenken) en steeds weer bid ik dat er mannen en vrouwen zullen zijn - jong of al wat ouder - die Christus' roeping verstaan en beantwoorden.

Er wordt heel tobberig gesproken over de kerk en over de zware last van priesters en pastoraal werkers. Laat ik nu eens ronduit zeggen: laat jou, laat u daardoor niet afschrikken. Pastores moeten het niet te zwaar maken. De kerk is hun eigendom niet. Zij moeten niet alles willen. Wie de hele wereld wil redden redt nog niet één ziel. De kerk, de parochie is niet van pastor Colm Dekker, niet van mij en van geen enkele bisschop of priester. Wij zijn de goede herder niet. Wij mogen en moeten niet méér dan de mensen naar de enige Herder, Christus, toeleiden. En Hij, de enige Herder, zal ons allen naar de Vader leiden en ons allen bij de Vader thuisbrengen.

Roepingenzondag.
Maar vóór de roeping tot het pastoraat, het religieuze leven, het huwelijk komt de roeping tot het geloof en het doopsel.
Een heel bijzondere roeping, die onze Lucasparochie versterkt en verrijkt is de roeping die Samantha-Joan heeft ontvangen. Enkele jaren geleden zagen enkele parochianen en ik haar komen in de zondagse eucharistie, veilig gezeten bij tante en oom en op een goede dag vroeg zij of zij zich mocht voorbereiden op het doopsel. Toen volgde een lange weg, een bewogen weg. Een weg naar Christus en zijn kerk, zijn kudde. "Hoort, want Hij roept jou, Samantha, bij jouw naam...Hij zal met jou zijn wegen gaan, getrouwe herder is zijn naam".
Zo jong als zij was, toen zij zich geroepen voelde, zo bewogen is haar weg geworden naar de kudde van de goede Herder. Een weg van vreugde en geloof én een weg van grote beproeving. Juist ook in de beproeving, Samantha, ben jij de bijbel gaan lezen, ook al waren de letters en de woorden voor jou moeilijk leesbaar, ook letterlijk. (Tussen haakjes: dat kwam ook door de zeer kleine lettertjes van de bijbel die ik jou gaf). Maar je bent blijven lezen...lezen in de bijbel, lezen in jouw eigen leven, jouw jonge levensgeschiedenis. En je hebt ondervonden dat in vreugde en verdriet de Herder jou is blijven roepen en nabij was: "In dood en leven, Heer, zult gij zijn die gij zijt: uw klein volk nabij". Ik dank God dat jij vandaag met heel jouw hart antwoordt op de stem die jou heeft geroepen.

Die roepstem heeft ook Mirjam, die altijd zo trouw en dienstbaar in ons midden is geweest, beantwoord. Een echte apostel, verkondiger van het Woord ben je geweest en ik hoop dat je dat blijft, hier in deze gemeenschap. En Gregory, die ook geantwoord heeft op Christus' roeping en hier zijn geloof heeft beleden en het vormsel heeft ontvangen en nu om Christus' Geest vraagt voor Shamar, jouw en Mirjams zoon.
En Roy en Carola: ook jullie vragen vandaag voor jullie dochtertje, de Geest van God: dat het zal toebehoren aan Christus en zijn kudde.

De Lucas maakt het goed.
Christus' stem klinkt en mensen antwoorden.
"Mijn God zijt Gij, U wil ik danken".
Amen.
 

Ds. Bakker 22 januari

ROEPING

Preek van Ds. R.J.Bakker op zondag 22 januari 2006 in de Lucaskerk
naar aanleiding van Jona 3 en Marcus 1: 14-20

Vandaag wil ik het met u over roeping hebben. Dat woord wordt al gauw in verband gebracht met het werk dat priesters en dominees doen. Zo herinner ik me een avond dat we met middelbare scholieren naar een voorlichtingsavond over studeren aan de universiteit gingen. Op een school in Den Haag, het Aloysiuscollege, sprak in een van de klaslokalen een hoogleraar in de theologie, die zei dat je om voor de theologie te kiezen het gevoel moest hebben van "dit is het". De bakker op de hoek is ook nodig, zei hij, maar je moest toch dit vak als het betere of hogere zien. Waarop ik een gevoel van protest voelde opkomen, trouw aan mijn afkomst, omdat het toch niet zo kon wezen dat de bakkers minder waren dan de priesters of de dominees.

Als we vanmorgen over roeping nadenken, is het goed om eerst stil te staan bij wat roepen is, en daarna om te vragen waar het bij roeping om begonnen is, wat er de inhoud van is.

Roepen is met kracht je stem gebruiken, misschien wel met de handen aan de mond, om je stem ver te laten dragen. Je doet het, als de ander wat verder weg is, bij voorbeeld als je in een huis met verdiepingen naar boven roept dat het tijd is om te eten, of om iemand uit de slaap te wekken. Roepen gebeurt, omdat er weerstanden te overwinnen zijn, anders deed je het wel met minder volume. Maar je moet het op de goede plaats doen, anders ben je, letterlijk of figuurlijk, een roepende in de woestijn.
Het is een begin, een eerste stap naar spreken, waar het wel in over moet lopen, want als iemand al roepend een gesprek blijft voeren, moet je ingrijpen en zeggen: "Ik kan u uitstekend verstaan."

In het evangelie horen we vertellen dat Jezus, die in het noorden van zijn land woonde, in de buurt van het meer, of de zee, van Tiberias was. Hij zag vissers aan het werk en heeft ze elkaar vast wel bij hun naam horen noemen. Dan roept hij hen. Bij hun naam, mogen we aannemen. Waarom? Hij heeft hen nodig en wil vissers van mensen van hen maken. Daar zit iets heel vreemds in, want je gaat toch niet zo maar met een vreemde mee. Als kind leer je dat je dat niet moet doen en als volwassene doe je dat ook niet. Maar hier gaan ze. De twee broers Simon en Andreas, en even later ook het andere broederpaar, Jakobus en Johannes. Alles laten ze achter.

Vreemd is het, maar al weer minder, als we bedenken dat zij zonen van Israël zijn. Dat ze de boeken van het geloof kenden, waarin God wordt getekend als een sprekende God. Iemand, die mensen inschakelt om hetzelfde te doen wat Hij ook doet: woorden zeggen, die leven stichten; die kromme wegen recht kunnen buigen, die verwijzen naar een toekomst die goed zal zijn. Zoals we het vandaag hoorden in de lezing uit het boek Jona, waar God een mens roept om de grote stad Ninevé tot omkeer op te roepen, waarop die hele stad dat ook doet en Jona blijkbaar zo weinig in zijn eigen roeping had geloofd, dat hij helemaal niet blij kon zijn, dat zijn woorden weerklank vonden.

Met roepen komt iemand op gehoorafstand, het is het begin van toenadering. Zo voltrekt zich daar aan het meer het nabijkomen van het koninkrijk van God in die ene mens, die andere mensen roept.

Het tweede dat ons bezig houdt, is de inhoud van de roeping. Waartoe worden mensen geroepen? Het brengt ons bij de inhoud van wat we dagelijks doen, hoe of dat in verband staat met God en heel de wereld. Roeping is ook een woord dat richting geeft. Het maakt duidelijk wat we wel of niet zullen doen. Zo zal ik nooit het moment vergeten in de periode dat ik, net klaar met de studie, in contact was met de kerkgemeenschap in Amsterdam om hier als predikant te gaan werken. We hadden al heel wat gesprekken gevoerd, maar het liep bestuurlijk vast met de huisvesting. Toen kreeg ik een telefoongesprek met iemand van een Hervormde gemeente in het Westland, waar ze een nieuwe voorganger zochten en een gesprek wilden over de vacature. Dat was aantrekkelijk, een mooi dorp met een mooie kerk en een mooie pastorie, die klaar stond. Onzeker over wat ik moest doen, vroeg ik de collega die me hierheen wilde halen, om raad. Ik dacht: nu zal hij wel zeggen "kom nou toch bij ons", maar dat deed hij niet. Hij zei alleen maar: "Je moet daarheen gaan waar je denkt dat je roeping ligt". Op slag was mijn twijfel voorbij en wist ik het: het moet Amsterdam worden, en dat duurt nu al vijfentwintig jaar.

We hadden het erover dat priesters en dominees niet meer zijn dan de bakkers of mensen in andere beroepen, en toch wordt het werk dat de geestelijken doen altijd meer dan de andere beroepen met roeping in verband gebracht. Tijdens mijn studietijd in de Franse stad Straatsburg, kreeg ik in het seminarie waar ik woonde, een gesprek met een medestudent, aan wie ik vertelde dat ik in de liefde een andere voorkeur had dan de meeste mensen. Waarop hij vroeg, of dit ook iets voor mijn persoonlijke roeping te betekenen had. Zoals dat wel vaker gaat, herinner ik me de vraag heel scherp, maar het antwoord niet precies. Ik weet wel dat ik hem duidelijk gemaakt zal hebben, dat voor mij de roeping voor het werk in de kerk niet betekent, dat je dan niet een persoonlijke liefdesrelatie zou mogen hebben. Dat is immers de verandering die de reformatie heeft gebracht, dat die twee ook samen kunnen gaan en ik wacht erop, dat dit in de rooms-katholieke kerk ook een mogelijkheid wordt. Dat het zo wordt, dat iemand uit persoonlijke keus kan afzien van een liefdesrelatie om daarmee voor nog meer mensen tegelijk beschikbaar te kunnen zijn, maar dat het ook anders kan... Maar vandaag realiseer ik me, dat mijn collega van de Lucas en ik voor verwarring zorgen. Vandaag hebben we hier een getrouwde rooms-katholieke pastor en een ongetrouwde dominee, als een protestantse heeroom.

Roeping is er, als het goed is, voor ons allemaal. Het komt naar voren, als de één de ander vraagt waarom hij of zij zo gek is iets buitengewoons te doen en dan het antwoord is: maar ik denk gewoon dat ik dit moet doen, dat dit van mij gevraagd wordt en ik doe het uit overtuiging... Zo mogen we hopen, als u nog aan het werk bent, dat ook het beroep van elke dag met roeping te maken heeft, ook al heeft niet iedereen werk om volkomen gelukkig in te zijn. Dat er dan de contacten onderling zijn, waarin je elkaar bij de naam noemt, en samen je taak uitvoert in het besef van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor God en mensen. Want roeping gaat ons allemaal aan, verbonden met Jezus, die zich zelf door God liet roepen en ook ieder van ons voor een taak in de kerk en in de wereld roept.

Lof zij U, Christus, in eeuwigheid, amen.
 

Colm Dekker in de Opgang 15-1-2006

2e zondag van Epifanie, 15 januari 2006, De Opgang

Jesaja 62, 1-5;
Johannes 2, 1-11

HOEZO "DAAR ZIJN WE NOG NIET AAN TOE?"
HET FEEST VAN LEVEN LAAT ZICH VIEREN, HIER EN NU!
========================================
Het was een bijzondere bruiloft, die in Kana.
Ieder van ons zal wel eens bij een bruiloft geweest zijn.
Als ik u nu eens vraag terug te denken aan een bruiloft waar u geweest bent,
is dan niet het eerste wat je daarvan onthoudt, wie z&n bruiloft het was, wie er trouwden?
Zo niet in Kana.
De bruid wordt helemaal niet genoemd, en de bruidegom pas aan het einde,
en dan nog maar zijdelings en niet in een hoofdrol.
U weet waarschijnlijk hoe belangrijk de betekenis van namen in de Schrift is.
Deze bruid en bruidegom mogen geen naam hebben: het gaat Johannes dus kennelijk niet om hen.
En als u nog eens terugdenkt aan die bruiloft waar u bij was,
dan ziet u waarschijnlijk ook nog wel de locatie voor u,
en ik gok zomaar dat dat niet de keuken was.
In Kana vindt het centrale gebeuren niet midden in de feestzaal plaats,
maar achteraf tussen Maria en Jezus en met de dienaren in de keuken.
Alsof dit alles nog niet genoeg was, is er niet alleen geen bruidspaar,
maar ook nog eens geen wijn meer.

Nu was in de tijd van Jezus het beeld van de bruiloft, van bruid en bruidegom al een bekend beeld,
een veelzeggend beeld van Israël voor de verbondenheid van God met mensen.
Dus weet iedereen bij een bruiloft: Dit gaat niet alleen over die twee mensen, dit gaat ook over mij.
De profeet Jesaja had dit beeld al gebruikt voor Israël zelf.
Jesaja neemt het op voor Sion, kan niet zwijgen omwille van de Godsstad Jeruzalem.
Over Israël werd gesproken als een troosteloos oord, een afgedankte en verstoten geliefde,
maar God spreekt haar opnieuw aan als zijn bruid.
Als een verliefde vertelt God Sion hoezeer hij naar haar verlangt.
Hoe anderen over Israël denken en spreken doet er niet toe,
God vernieuwt de persoonlijke relatie met zijn geliefde mensen.
Jeruzalem mag zich klaar maken voor de bruiloft, mag de bruidsjurk aandoen.
Israël zal stralen van Gods liefde, en dit zal zich uiten in heil en gerechtigheid voor alle bewoners.

In het hoofdstuk na de bruiloft van Kana noemt Johannes de Doper Jezus de bruidegom. (3, 29)
Hij is het die zich in Gods naam bekommert om Israël,
die licht komt brengen in de duisternis, die instaat voor gerechtigheid,
die het opneemt voor wie in nood zijn en zo Gods koninkrijk zichtbaar maakt.
Jezus draagt dezelfde naam als Jozua, die het volk door het water van de Jordaan heeft binnengeleid
in het land van de belofte, het land waar wijn is in overvloed.
Nu is het Jezus die water verandert in wijn, dood in leven.
De maaltijd van de grote bruiloft als Gods koninkrijk definitief gevestigd is,
staat nog uit als een belofte, maar de tekens die daarnaar verwijzen, worden vandaag al gevierd.
Toch is Jezus in eerste instantie niet van plan hier al aan mee te werken.
Zelfs als zijn moeder Maria de nood en de schaamte en schande van het bruidspaar ziet,
en deze bij Jezus aankaart: "Ze hebben geen wijn meer.",
is zijn eerste letterlijke reactie: "Wat is van u en wat is van mij?"
Het is zijn pakkie-an niet, want zijn tijd is nog niet gekomen.
Overigens krijgt Jezus zelf letterlijk diezelfde reactie in het Marcusevangelie (1, 24 en 5, 7)
bij onreine geesten die hij uit zal drijven.
Als Jezus naar hen toekomt, roepen zij: "Wat heb je met ons te maken?"
Zij zeggen niet dat Jezus niets met ze te maken heeft,
maar dat ze dat niet willen, dat ze bang zijn dat Jezus ze uit zal drijven.
In Kana is het Jezus die een zekere schroom moet overwinnen
om te erkennen dat Maria en de concrete nood van deze mensen iets met hem te maken hebben.

De houding van Maria vind ik heel mooi.
Ja, jullie zullen het weten dat er een katholiek op de preekstoel staat.
Maria is aan de ene kant heel bescheiden en aan de andere kant vol vertrouwen.
Als een bescheiden versie van Abraham en Mozes die bij God pleiten voor hun volk,
zoals een biddende mens de nood van een ander voor God brengt,
neemt Maria het op voor deze mensen.
In het boek Jezus Sirach,
dat in de protestantse traditie niet tot de canonieke bijbelboeken behoort maar bij ons wel,
staat: "De HEER heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar zonen." (3, 2)
Maria heeft bij Jezus aangedrongen dát hij ingrijpt,
maar bemoeit zich niet met het hoe en wat, dat laat ze volledig aan zijn vrijheid over.
Tegelijkertijd is ze wel zo overtuigd dat hij iets zal doen dat ze onmiddellijk naar de dienaren gaat
en tegen hen zegt: "Doe maar wat hij jullie zegt ... wat het ook is."
Daarin klinkt door dat het wel eens iets kan zijn wat ze zal verbazen.
Ook hier klinkt weer een groot vertrouwen in door.
Ik ken persoonlijk alleen het omgekeerde: dat het bij voorbaat niet goed is wat iemand doet.
In onze familie gaat het verhaal over opgroeiende kinderen en dat gold zeker ook toen ik dat was,
dat als ze te stil waren dat de moeder dan tegen een van de anderen riep:
"Ga eens kijken wat ze aan het doen zijn, en zeg dat ze ermee ophouden!"
Maria zegt hier het omgekeerde: "Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is."

Zo zijn de dienaars, de diakenen uiteindelijk de enigen die weten waar de wijn vandaan komt.
Wat mij betreft is dit ook wel een mooi beeld voor de rol van de diakenen in de kerk:
ze helpen mensen zonder dat de rest van de gemeente hiervan hoeft te weten,
en vaak zal het ook zo zijn dat hun hulp meer betekenis heeft dan zij zich zelf realiseren.
De beste wijn draagt bij aan het feest dat het leven hoort te zijn.

"Dat was het begin van Jezus& tekenen, te Kana in Galilea." (Johannes 2, 11 in WV 95)
Het begin is gemaakt, het kader is geschapen.
In beginsel zullen al Jezus& werken tekenen zijn die God(s werken) openbaren.
In hem - zo laat Johannes ons weten - maakt God een nieuw begin, begint een nieuwe schepping.
Daarom ook vermeldt Johannes bewust dat deze bruiloft plaatsvindt op de derde dag,
de dag die verwijst naar Jezus& opstanding, als zijn tijd eenmaal wel in volle glorie zal zijn voltooid.


Hoever zijn wij nu dan, op deze dag des Heren als wij in oecumenische setting samen vieren?
Ook voor ons geldt: het is allemaal nog niet zoals wij het zouden willen, zoals het zou horen te zijn, zoals God het bedoeld heeft, in onze wereld en in onze kerk.
Maar wat is er al wel? Zijn er dan geen tekenen meer? Zijn wij aan ons lot overgelaten?

Laat ik allereerst erkennen dat er genoeg argumenten zijn om te zeggen:
"Daar zijn we nog niet aan toe!"

Israël houdt zich vast aan het visioen,
dat God als bruidegom zijn volk tot bruid neemt en feest met hen viert, maar zover is het nog niet.
De hele geschiedenis is de worsteling gewoon doorgegaan, tot vandaag aan toe,
zoals de afgelopen weken rondom de ziekte van Sharon de hele wereld weer meebeleefde
hoe de vrede een steeds vervluchtende utopie lijkt te zijn.
De bruiloft in Kana is een teken van Gods koninkrijk, Jezus& eerste teken, maar ...
Zover is het nog niet: Het koninkrijk er is nog niet. En toch ...
Intussen kunnen wij mensen de tekens van Gods koninkrijk herkennen of moeten we ze zelf stellen.
Het herkennen van de tekens is nodig om het vol te houden, om het visioen levend te houden.
Het stellen van tekens helpt om de vervulling van het koninkrijk naderbij te brengen
De Duitse theoloog Jürgen Moltmann zegt van die momenten dat licht, hoop en liefde doorbreken:
Hier wordt de tijd doorbroken en is het koninkrijk nu (even) gekomen.

In Kana grijpt Jezus in eerste instantie nog niet in terwijl mensen in nood verkeren,
omdat hij daar nog niet aan toe is, omdat zijn tijd nog niet gekomen is.
En toch ... Maria helpt Jezus over de drempel heen,
en daardoor komt zijn uur naderbij, wordt het koninkrijk verhaast.
Ik vind het een buitengewoon hoopvolle gedachte
dat de concrete nood van mensen niet alleen bron van ellende is,
maar aanleiding kan zijn om het koninkrijk te verhaasten,
waar wij in woord en daad, gebed en actie het er niet bij laten zitten en voor elkaar opkomen.

Ook voor ons als kerken geldt dat we soms geneigd zijn te denken
en om ons heen ook met regelmaat horen:
Dat wij als kerken samen ons geloof vieren is een mooi ideaal, maar ...
zover is het nog niet. Zover zijn we nog niet. En toch doen we het vandaag,
"Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn ben ik in hun midden." (Mt. 18, 20)
zo luidt dit jaar het thema nu christenen voor de 98e keer bidden om eenheid.
En misschien is het ook wel vruchtbaarder om anders met het ideaal van die eenheid om te gaan.
Veel ouders vinden het heerlijk als ze merken dat hun kinderen het samen goed met elkaar hebben.
Dat betekent niet dat zij altijd alles samen moeten doen,
ze hoeven niet dagelijks of wekelijks samen te eten of hetzelfde huis te delen.
Dat ze onderling verschillend zijn, misschien zelfs sterk verschillend is ook niet erg.
Verschillen kunnen een rijkdom zijn, en kunnen elkaar aanvullen.
Zo hoeven de verschillende kerken niet allemaal te fuseren tot één grote kerk
om te weten dat christenen één familie zijn.
Voorwaarde daarvoor is wel dat we het samen goed hebben,
en dat we van elkaar weten dat we daar altijd op terug kunnen vallen,
simpelweg omdat we elkaar broers en zussen zijn.

Ik noem dit voor mezelf een realistisch-optimistische visie,
liever dan onze samenwerking te beladen met idealen én frustraties over wat zou moeten,
maar wat kennelijk nog niet kan omdat wij nog niet zover zijn / het nog niet zover is.
Het vráágt van ons, maar geeft ons ook de ruimte dat wij een begin durven maken,
dat we durven opkomen voor elkaar en vooral voor wie in nood is,
dat we verbanden leggen, mensen met elkaar in contact brengen,
en zeker ook dat we durven vieren wat al is en ook wat nog niet volkomen is.
Ook al zijn we dan misschien nog niet zo ver,
de tekenen zijn er wel, bij Jesaja, in Kana en hier vandaag:
het feest van leven laat zich vieren, hier en nu!
 

Pastor Laurent 14 mei 2005

40 jaar Lucaskerk
1e Pinksterdag

Johannes 20,19-23

Een vrouw vertelde over het huis waarin zij opgroeide: Mijn moeder had een beeld van de heilige Anthonius en altijd brandde er een lichtje voor. Maar als ze niet kreeg wat ze wilde, blies ze het lichtje uit en keerde de heilige Anthonius naar de muur toe. Als ze wel kreeg wat ze wilde, werd hij weer teruggedraaid en ging de kaars weer aan.
Het zou mooi zijn als uw predikant u vanmorgen kon vertellen, dat dít de opperste wijsheid is en dat u niets verstandigers kan doen, en door zo snel mogelijk een beeld van de heilige Anthonius te kopen en die dan - bij wijze van dreigement - zo nu en dan naar de muur te draaien.
Het zou mooi zijn als dat de "gouden levenstip" was.
Maar de werkelijkheid is anders. En daar confronteert dit kerkfeest ons vandaag mee. De werkelijkheid is heel anders!!

40 jaar Lucaskerk, Amsterdam-Osdorp. Er is heel wat gebeurt in deze 40 jaar. Of misschien moet ik wel veeleer zeggen: er gebeurt altijd veel in het leven van mensen. Aan goede en aan minder goede zaken. Aan ontroerende en ontmoedigende momenten. Als je lang in een huis woont, wil je er blijven wonen. Wil je er niet weg. Zelfs niet als het eigenlijk zou moeten, probeer je het nog zo lang mogelijk uit te stellen; want het is jouw huis. Het is a.h.w. de schil van jouw leven!! Een groot aantal jaren van jouw leven hebben zich binnen de muren van dat huis afgespeeld. Je hebt er gegeten en gedronken, gelachen en gehuild. Kortom, je hebt er geleefd.
Een kerkgebouw is net zoiets. Je hebt er gelachen en gehuild. Het is in de loop van die jaren je huis geworden. Het is je in de loop van de jaren dierbaar en vertrouwd geworden.

De lezing van vandaag geeft het kenmerk, of beter gezegd, het "huismerk" aan. "Vrede zij U". "Vrede" in een wereld "die in brand staat".
En daar zit dan ook weer die dubbele spanning in die ons eigen is; die ons steeds in het leven achtervolgt en nooit met rust laat. De spanning van:
Groot én klein gaan samen. Gaan hand in hand !!!!
Edelmoedigheid én egoïsme, gaan samen !!!!
Visie op het geheel én tegelijkertijd een haast provinciale bekrompenheid......gaan samen !!!
Altijd gaat dát maar voort. Niets op deze wereld is immers eenmalig en daarmee klaar en afgerond.
Wij eren hier geen gebouw, hoe vertrouwd wij er ook mee zijn. Wij eren, wij herinneren; wij vieren datgene wat er in de loop van deze 40 jaar binnen de muren van dit gebouw zich heeft afgespeeld. Hoe er gehuild is. Hoe er gelachen is. De kerk kan alleen zijn wat hij is, nl. plaats van Gods aanwezigheid, huis van God, als hij ook en tegelijkertijd huis van mensen is. Huis waar mensen samenkomen; mensen die geloven en waar maken - in hoop en vrees - dat met deze wereld, deze plaats, dat er met wat er in hun leven is overkomen, nooit het laatste woord is gezegd. Weer opnieuw opnemen. Weer opnieuw formuleren. Alleen zó loopt een kerkgebouw niet de kans een leeg en ouderwets monument te worden.

In de loop van de geschiedenis is het uiteindelijk altijd de religie geweest dat aan mensen een waarden-systeem, een leefsysteem heeft aangeboden. In de loop van de geschiedenis is het de religie geweest die mensen op hun levensweg heeft begeleid, letterlijk en figuurlijk, met haar riten, gebruiken en gezangen, van de wieg tot het graf.
Die vanzelfsprekendheid is in onze tijd volledig ondermijnd. Het Humanisme kwam op in de 16e eeuw en liet haar sporen na, overal in de Europese wereld. De tijd van de "Verlichting van de geest" kwam op in de 18e eeuw en liet onmiskenbaar haar sporen achter. Het communisme kwam op in deze eeuw en wij hebben de vermolming en afkalvering ervan gezien en meegemaakt. En in de landen achter de voormalige muur wordt nu nog dagelijks gezucht over het deficit dat dat systeem heeft achtergelaten.
Wij staan nu in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw, en opnieuw dienen de waarden en de normen geformuleerd te worden.

De Joden uit de Oudheid hebben de wereld een Bijbel geschonken en het geloof in één God. Maar de Joden van de Middeleeuwen van de Nieuwe Tijd; de Joden van Spanje en Polen en Rusland, de Joden die verrezen uit de as van Hitlers Europa om Israël weer op te bouwen en de ontheemden bijeen te brengen, zij hebben dat geloof verdiept en opnieuw gedefinieerd. Zij hebben de wereld iets geleerd, namelijk dat de mens het vermogen bezit om te blijven geloven, alle tragiek en ellende ten spijt.
De Joodse geschiedenis bewijst dat de mens het vermogen heeft zichzelf te behoeden voor laagheid en kleinheid van geest door de grootheid van het geloof niet door vervolgingen te laten ondermijnen of vergallen.

Wij zijn onderweg in de tijd en op weg naar een toekomst met dít verleden achter ons. Dit verleden met alles wat het in de geschiedenis aan verdriet en tranen heeft gekost.
Sommige mensen raken door de tragiek voor hun leven lang verbitterd. Zij komen er nooit overheen; zij vergeven het de wereld nooit en blijven mokken over wat hen is overkomen.
Maar wij moeten proberen mensen te zijn - of misschien te worden - die vanuit het "onaffe" en vanuit het gebrokene proberen op te bouwen. Verder te bouwen. Opnieuw definiëren. Opnieuw voorleven dat vriendschap en liefde in deze koude wereld nodig is, als warmte om van te leven.
Wij moeten proberen mensen te zijn - of misschien te worden - die God vergeven dat er geen rechtvaardiger Universum bestaat. Wij moeten proberen mensen te zijn - of misschien te worden - die ophouden te zoeken naar gerechtigheid en naar situaties waar het allemaal eerlijk toegaat. Dié wereld is er niet en bestaat niet en zal ook nooit bestaan.
Er is alleen maar, geloof, hoop en liefde!!
In een modern toneelstuk zegt de hoofdrolspeelster:
"De kaarsen in de kerk zijn uit,
de sterren zijn uitgedoofd aan de hemel.
Blaas de kolen in de haard aan,
dan zullen wij wel gauw weer kunnen zien".
De wereld is een koude, onrechtvaardige plek waarop alles wat mensen lief en dierbaar is verloren gaat. Maar in plaats van deze onrechtvaardige wereld, dit onrechtvaardige leven op te geven, in plaats van de antwoorden buiten onszelf te zoeken, moeten wij de blik naar binnen richten, naar het eigen vermogen om lief te hebben.
"Blaas de kolen in de haard aan".
Blaas de vriendschap en de liefde aan, en de wereld kan zien waar God vertoeft.
Dan is een kerkgebouw een huis. Een huis voor God én mens.
Een poort naar de hemel; een licht in het donker; een opening in de muur; een venster op de toekomst.
 
Pagina's in deze sectie: